pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

 

In de wetenschap van het toeval

Een gesprek met Bram Vreven, Doris Kuwert, Frederik De Wilde en Jerry Galle

voor <H>art, 2009

 

In Netwerk Aalst loopt ‘Fuzzy Electronics (& Magnetics)’ met werk van zes nieuwe mediakunstenaars. Tijdens de opening hadden we een gesprek met vier ervan. Een gesprek in het Nederlands over de rol van de technologie voor de kunst. Daardoor vielen de buitenlandse kunstenaars – Semiconductor en Kjell Bjorgeengen, die eigenlijk ook videokunstenaars zijn – uit de boot. Een zoektocht naar de verschillen in de gelijkenissen.

Pieter Van Bogaert: Wat opvalt bij het overlopen van jullie cv’s is het gelijkaardige parcours waarin jullie diverse media en disciplines combineren. Bram, jij stapt in 1998 over van de jazz naar de beeldende kunst, eerst om klankinstallaties te maken als een fysieke ervaring en later om klank te visualiseren. Hoe belangrijk is die ervaring als muzikant om je werk goed te begrijpen?

Bram Vreven: Dat is enkel belangrijk voor mezelf. Ik evolueer nu meer naar choreografisch werk en ook daar speelt het muzikale nog steeds een grote rol. Zoeken naar ritme, harmonie,… dat werkt voortdurend door in het creatieproces. Maar kennis over mijn muzikale achtergrond is zeker niet essentieel om het werk te waarderen. Ik heb het lange tijd ook verzwegen. Voor mij was de muziek een afgesloten periode.

Er zit ook steeds minder geluid in je werk.

BV: Zeker in het werk dat hier staat. Maar zelfs in vroegere geluidswerken zat al veel stilte, als afwezig geluid. Dus zelfs als het helemaal stil is, is er nog steeds die link met geluid. Daar kom ik nooit onderuit, zonder het echter nog expliciet te moeten thematiseren.

Ondertussen vind ik jouw werk eigenlijk steeds meer naar beeldhouwkunst neigen.

BV: Ja, steeds meer.

Al even samenvatten: de beweging is belangrijk, de natuurkunde is heel belangrijk, de wetten van de fysica en het zoeken naar een zekere orde in die wetmatige bewegingen. Maar in je schier onmogelijke pogingen om die orde te reconstrueren, beklemtoon je eigenlijk de chaos. Chaos in de orde: is dat een goede beschrijving van je werk?

BV: Daar is veel van aan. Ik wil de fysieke factoren in mijn werk, in elk geval toch theoretisch, extreem controleerbaar maken, om dat vervolgens bij het programmeren weer langzaam los te laten. Die strakke controle is belangrijk in een eerste fase om echt heel goed te begrijpen wat kan en wat niet kan.

Dat herintroduceren van het toeval in jullie werk, dat altijd geprogrammeerd is door een computer, is een eerste gemeenschappelijke kenmerk… Doris, jouw installaties, gemaakt van een schoendoos met een dienblad erop, waarin speldjes, paperclips, ringen en andere metalen voorwerpen reageren op de bewegingen van een magneet, ziet er het minst technologisch uit. Maar zelfs bij jou kwam er een computer aan te pas.

Doris Kuwert: Een echte computer zit er niet in, maar de motoren die de magneten aandrijven, bevatten wel een voorgeprogrammeerde chip. Dat maakt van die motoren eigenlijk rudimentaire computers. Verder zijn de bewegingen van de voorwerpen op de dienbladen volkomen onvoorspelbaar. Ik werk met heel eenvoudige magneten en ook de bouwmaterialen zijn zeer alledaags. Dat komt omdat ik er nooit in geslaagd ben om met maquettes te werken. Ik begin meestal met simpele materialen om even iets uit te proberen. Maar eens het werkt, zie ik niet meer de zin om het opnieuw te maken ‘in het echt’. Dit is het echte werk. Ik hou echt wel van deze laagtechnologische esthetiek.

De manier waarop je met alledaagse materialen werkt, de spontane choreografieën die je ermee creëert, doen veel denken aan het werk van dadaïstische filmmakers uit de jaren dertig als Hans Richter.

DK: Ik ken die films natuurlijk wel, maar toch is mijn werk er geen directe referentie naar. Het is echter wel opvallend dat veel mensen die mijn werk voor het eerst zien op video, denken dat het animatiefilm is. Terwijl het allemaal echt is.

Ok. Nog eens recapituleren. Naast het toeval, speelt de wetenschap een grote rol. Bram had het al over de natuurkunde, terwijl hij ook steunt op de wetten van de mechanica, net zoals Doris. Informatica is bij iedereen minder of meer belangrijk, zeker bij Jerry die video’s toont die in sommige gevallen live gegenereerd worden door de computer, terwijl we ernaar kijken. Frederik, die o.a. werkt met levende vissen, steunt dan weer op de biologie. Toeval in de wetenschap: werkt dat als gemeenschappelijke noemer?

Jerry Galle: Voor mij is de logica zeer belangrijk. De computer denkt altijd logisch – daar kan je onmogelijk om heen. Door het toeval te introduceren, probeer ik uit die structuur te raken. Ik doe dat door een proces van twijfel te genereren – dat gebeurt door de logische processen van de computer te snel af te zijn, waardoor hij ze niet helemaal kan afwerken. Twijfel is iets fundamenteel menselijk en is als gegeven totaal vreemd aan de computer. Er zijn verwantschappen met willekeurigheid, maar de beeldenstroom die uit twijfel ontstaat, is enkel leesbaar voor de mens. Het resultaat is visueel dan ook rijker dan een louter uiteenspatten van willekeurige gegevens.

De naam van je website is trouwens Fuzzy Logic. De titel van deze tentoonstelling is er een toespeling op.

JG: Ja, de term verwijst naar een ontregeling van de logica door een systeem van chaos. Maar toch altijd nog met een soort metalogica die daar boven staat. Fuzzy logic is een stroming waarin de dingen ook een beetje waar kunnen zijn, als alternatief voor absolute waarden als waar en onwaar.

Frederik De Wilde: Bij mij werkt het via de natuur. In EOD haal ik de vis uit zijn natuurlijke biotoop. Als je het echt heel ver drijft, zou je die omstandigheden kunnen reconstrueren, maar dat doe ik niet. Het gaat me om de patronen, eigen aan de vis. Die wil ik implementeren in die digitale elektronica. Zo gaat het systeem functioneren als zijn eigen stoorzender. Het toeval dat binnendringt via een levend organisme, dat vind ik uitermate boeiend. Geluid is heel belangrijk. Ook dat kan je reconstrueren. Hier gaat het echter om de specifieke signalen van deze vis, altijd uniek, zoals een vingerafdruk voor een mens. Die communicatie, de manier waarop hij reageert op signalen uit de omgeving, dat kan je onmogelijk programmeren. Wat mij fascineert is hoe je vanuit het systeem die interne logica kan ondermijnen.

JG: Wat ik zo tragikomisch vind is dat de computer die processen, die voor ons toevallig lijken, toch in zeker mate altijd kan overzien. Dat kan het menselijke brein niet. We hebben niet de tijd om al die mogelijke variaties te bekijken. Door de machine te vermenselijken, introduceer ik een emotioneel gegeven in de computer. Ik denk dat we daar allemaal wel naar zoeken. Hetzij door interactiviteit met de biologie, met de computer, of gewoon interactie met de omgeving.

Wat opvalt is dat Jerry en Frederik het hebben over levende dingen. Zelfs als het over computers gaat. Hoe ervaren Doris en Bram dat? Hoe belangrijk is die levende materie in de manier waarop jullie met technologie omgaan?

BV: Ik ervaar het helemaal anders. Het feit dat er ergens een computer verborgen zit in mijn werk, is volstrekt onbelangrijk. Ik verberg hem ook echt letterlijk. En als ik het zou kunnen zonder computer, zou ik het ook doen. Ik ben in de eerste plaats bezig met het beeld dat de mensen te zien krijgen. Het proces en wat ik ervoor gebruik is voor mezelf wel van belang, maar niet voor de toeschouwer. Het is er niet de inhoud van. Als ik toeval integreer is het omdat het nieuwe beelden oplevert.

DK: Ik kijk liever naar gestoorde dan naar regelmatige bewegingen. Mijn motoren leveren een gecontroleerde input, maar de speelruimte waarin die bewegingen zich voordoen is veel complexer. Door de objecten op de juiste fysieke afstand te plaatsen, creëer ik toevallige fenomenen. Het is de toeschouwer die uiteindelijk een narratief gaat creëren om die storingen te begrijpen.

De toeschouwer is echt cruciaal. Ik heb het gevoel dat jullie zelf meer toeschouwer zijn dan kunstenaars. Luisterend naar Bram, lijkt zijn hele oeuvre één groot proces, waarin elke nieuwe stap aanleiding is om verder uit te werken in latere creaties.

BV: Daar is zeker iets van aan, ja.

Hoe voelen jullie dat aan, dat toeschouwer zijn? Jerry bijvoorbeeld omschrijft zijn werk als generatieve kunst. Hoe moet ik dat begrijpen? Bestaat jullie werk erin om processen in gang te zetten en dan te zien wat er gebeurt?

(Algemeen gemor…)

JG: Nee. Het komt er eigenlijk op neer dat een medium zelf geen betekenis genereert. Een verfborstel doet dat niet, net zo min als een computer of een fototoestel. Je moet die betekenis erin of eruit stampen. Daar word ik voortdurend mee geconfronteerd in mijn werk. Het komt er vooral op aan heel veel te kijken. Zo werkt een schilder ook en in die zin heb je ergens wel gelijk als je ons kunstenaars omschrijft als toeschouwers.

‘Kijkers’ is misschien een beter woord.

FDW: Ja, observatie is essentieel. In elke kunst, elke wetenschap of elke activiteit die je onderneemt.

Wil dat dan überhaupt nog iets zeggen, die term ‘mediakunst’? Ik ken eigenlijk helemaal geen kunstenaars die geen mediakunstenaar zijn. Jerry, jij begint als schilder, geïnspireerd door de fotografie, het verval in de foto’s van Niepce bijvoorbeeld. Het verval en dus opnieuw een zekere vorm van leven, van generatie (of degeneratie, eigenlijk).

JG: Ik behoor tot een generatie kunstenaars die overstapt van de ene discipline in de andere. Het feit dat kunstenaars die nu met een computer werken, voorheen in andere disciplines actief waren, heeft doodgewoon te maken met het feit dat het voorheen niet bestond. Ik denk dat het vooral de blik van de toeschouwer is die maakt dat die kunst in het hokje van de mediakunst terecht komt. De blik is anders. Het is nieuw, synthetisch, een apparaat en daarom wordt het bekeken als iets vreemd aan de kunst. Hetzelfde hebben we gezien met de komst van de fotografie, dat eerst ook niet echt als een kunst werd aanzien. Of met de video, die eerst als een louter registratiemedium werd bekeken en behandeld. Ik heb eigenlijk een haat-liefdeverhouding met de technologie. Ik vind het absoluut rigide en overbodig zelfs.

FDW: Ik ben niet helemaal akkoord met Jerry, als hij technologie rigide noemt. Ik werk nu met twee Amerikaanse universiteiten rond nanotechnologie. Dan zitten we echt op het niveau van hoe je twee atomen naast elkaar zet. De technologie op zich zal niet zichtbaar zijn, maar het resultaat wel. Ik vind dat heel bevrijdend. Eigenlijk ga ik met dit project terug naar de eerste vragen die speelden toen ik zelf ooit begon te schilderen. Vragen zoals, wat kan ik nog toevoegen. Wat kan ik fundamenteel nog doen, dat geen representatie is? Via het nanotechnologische onderzoek kom ik weer in dat soort van grijze zone waar de nieuwe en oude technologieën elkaar raken. Het punt van bijna werkelijkheid en bijna niet – van zijn en niet zijn. De digitale cultuur heeft me geholpen die dingen beter te begrijpen en in te zien waar ik als kunstenaar vandaan kom. Dat vind ik heel fundamenteel.

Heel fundamenteel, maar ook een beetje fuzzy, die grijze zone. Zoals in de titel van deze tentoonstelling die eigenlijk een heel dubbel signaal geeft.

FDW: Heel ambigu, inderdaad. Zoals mijn theremin in deze tentoonstelling: spionagetechnologie, maar ook muzikaal. Dat soort dingen, daar doen wij iets mee op onze eigen manier; iedereen individueel, altijd anders.