pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

continue in english

 

(for Artes Digitales Catalogue, Kortrijk)

 

 

Sign of no time

Praten en mailen met Anouk De Clercq en Jerry Galle.

 

 

Sign of the times #1

Spreken over kunst in het digitale tijdperk is nog iets anders dan spreken over digitale kunst. Jullie beslisten allebei om via de omweg van de ‘analoge' kunsten (muziek en film voor Anouk, schilderkunst en fotografie voor Jerry) te werken met de computer. Hoe belangrijk is dat digitale element voor elk van jullie? Kunnen jullie iets meer vertellen over die (analoge) achtergrond en of/hoe die doorwerkt in jullie werk?

Jerry Galle : Het fotografisch beeld heeft een impact gehad op mijn schilderijen. Toen ik begon te schilderen naar foto, viel het me op hoe beweeglijk het medium schilderkunst is. Het blijft trouwens een sneller medium om kunst te maken dan de computer. Met het schilderen naar foto was het alsof ik bepaalde cruciale stappen oversloeg tijdens het schilderen. De foto had al een bestaan en de opbouw van beelden, die nodig zijn om tot een schilderij te komen, wrong met het beeld dat vooraf bepaald was door de foto. Het leek onmogelijk om er nog van los te komen. Dit proces begon me te intrigeren en dreef mij uiteindelijk naar de computer.

In de computer kan ik dit proces letterlijk gebruiken en de opbouwende stappen tonen door middel van tijd. Deze stappen manifesteren zich meestal in de abstrahering van het oorspronkelijke beeld, de beelden beginnen zich onvermijdelijk schilderkunstig te gedragen. Het digitale medium zelf heeft ook een invloed op het proces van deze vervorming. De problematiek dat de computer zich als het ware mengt met het creatieproces, riep bij mij al vroeg vragen op. Vragen als: “wie maakt er nu eigenlijk deze beelden, ik of de computer?” Of fundamenteler: “kan je überhaupt kunst maken met een logische machine?”

Anouk De Clercq : Voor mij is de computer de plaats waar de kunsten samenkomen. Waar tekst, beeld, muziek, architectuur, ruimtelijkheid,... complementair aan elkaar een verhaal kunnen vertellen. Het is letterlijk een ‘medium', een object dat tussen mensen staat. Jerry en ik maken dit werk niet alleen met de computer maar ook via de computer: virtueel, door per e-mail bestanden aan elkaar door te sturen. Alles samen hebben we elkaar misschien een keer of drie ontmoet voor ‘Pixelspleen'. De computer is dus duidelijk een verbindend iets.

Ook de realiteit is helemaal anders in de computer. Er is eigenlijk geen realiteit om van te vertrekken, maar een onmetelijke ruimte. Dat is een groot verschil met werken in film of in een publieke ruimte bijvoorbeeld: die staat al helemaal vol. De mogelijkheden van de computer gebruik ik vooral om wars van alle anekdotiek naar een abstracte essentie gaan.

En uiteindelijk heeft die analoge achtergrond van zowel Jerry als mezelf te maken met onze generatie. Wij behoren allebei nog net tot een generatie die pas na de studies, de eigenlijke vormingsjaren, met de computer begon te werken.

 

Jullie samenwerking leidt op papier naar heel wat overeenkomsten, maar ook naar tegenstellingen. Als de computer voor Anouk staat voor een ruimte om nieuwe universums te creëren, gebruikt Jerry de computer om picturale elementen van het reproduceerbare beeld uit te werken. Als Anouk (als een filmregisseur bijna) aanstuurt op samenwerkingen met andere kunstenaars, werkt Jerry (als een softwarekunstenaar) in de eerste plaats samen met de computer. Waar Anouk meer lijkt te verwijzen naar avant-cinemapioniers als Marey en Muybridge, verwijst Jerry naar pioniers uit de fotografie als Niepce en Talbot. Als de één intuïtief aangetrokken wordt door het happy end (nog een erfenis van de cinema), komt de ander onvermijdelijk uit bij het no end (van de software). Vinden jullie zich terug in deze vergelijkingen (tegenstellingen die je natuurlijk ook aanvullingen kan noemen) en werkt dat ook door in dit werk?

J: Die tegenstellingen zijn er natuurlijk en maar goed ook, maar ze werken niet echt door in Pixelspleen.

 

Maar jullie passen je toch aan mekaar aan? Dat voel je toch in dit werk?

A: Ik zie ook in de eerste plaats verwantschappen. De schilderijen van Jerry, zijn nachtelijk palet, de ruimtelijkheid en diepte die hij creëert in het zwart, daar zit een oneindigheid in die ik zeer boeiend vind. De voornaamste tegemoetkoming tussen ons zit hem echter in de tijdsbeleving. Het vertrekpunt voor ‘Pixelspleen' is net om een werk te maken dat ‘geen einde' of ‘geen begin' kent (iets waar ik met ‘Pang' in 2005 voor het eerst mee was begonnen maar waar Jerry al veel langer mee bezig is). Het grote verschil in die tijdsbeleving is dat er geen einde komt, geen oplossing – en dat is een bijzonder moeilijk want nieuw gegeven voor mij. Het komt er eigenlijk op aan de bal door te spelen naar het publiek, waardoor dit werk minder van mij is en meer van de toeschouwers.

 

Sign of the times #2

Spreken over kunst in het digitale tijdperk brengt ons te snel bij noties als de digitale snelweg en haar connotaties van snelheid, netwerk en interactiviteit. Maar het kan ook traag en zonder netwerk in één computer. In plaats van de interactiviteit vertrekken jullie van het concept generativiteit. Kunnen jullie daar iets meer over vertellen? En daarmee samenhangend, over hoe jullie zichzelf situeren binnen het digitale veld?

A: Jerry en ik zijn vertrokken vanuit de idee geen lineair werk te willen maken. Wat haaks staat op mijn normale werkwijze. Mijn eerste niet-lineaire ervaring (met ‘Pang') is me goed bevallen. Het werk integreert zo veel beter in de ruimte en de afstand tot het publiek wordt kleiner. Ik dwing geen parcours op aan het publiek. Het is genereuzer zo en die tijdsbeleving ligt me meer en meer. Waarschijnlijk kom ik daarmee los van mijn filmachtergrond. Maar ook daar sta ik niet alleen; kijk naar Mike Figgis' ‘Timecode' (een digitale bioscoopfilm die zich in real time afspeelt op verschillende schermen – red.) en de Amerikaanse kunstenaar Doug Aitken schreef er een boek over, met de veelbetekenende ondertitel ‘Expanding the Screen, Breaking the Narrative'.

Joystick-interactiviteit interesseert me niet. Wat me wel boeit, en daarin kom ik zeker overeen met Jerry, is de interactiviteit tussen de verschillende lagen van het werk: beeld en geluid, beeld en ruimtelijkheid, geluid en ruimtelijkheid. En, niet te vergeten, de interactiviteit tussen het werk en het publiek. Juist omdat het digitale tijdperk zo met snelheid en veelheid wordt geassocieerd, stel ik daar graag een verstilling en een persoonlijke gevoeligheid tegenover.

J: Voor mij is generativiteit de meest eerlijke vorm om een werk te tonen, eigen aan de computer. De software draait continue en de beeldenstroom is nooit identiek. Als je een stuk isoleert uit die stroom, op een DVD bijvoorbeeld, dan krijgt het werk een ander karakter. Het wordt filmisch, met een begin en een einde. Wanneer een toeschouwer de ruimte binnen komt wil hij de ‘film' dan ook van begin tot einde zien, hij moet wachten tot de lus weer van start gaat.

Dat dwangmatige stoort dan weer met een ander belangrijk thema voor mij, de verhouding tussen de tijdsbeleving in de computer en die daar buiten. Die lopen volgens mij niet samen. De processor is zoveel keer sneller dan wij, maar onmogelijk traag op het vlak van intelligentie. Dit ervaar ik telkens ik een computer gebruik en zorgt telkens weer voor wrevel. Misschien heb ik deze mediumkritische houding wel over gehouden aan de schilderkunst. Er wordt weinig kritisch nagedacht over het digitale medium. Dingen als snelheid en netwerken hebben meestal weinig van doen met kunst. Interactiviteit is meer dan actie reactie, de al dan niet fysieke interactie tussen beeld en geluid vind ik bijvoorbeeld veel boeiender.

 

Iets over ‘Pixelspleen'. In het fragmentje dat jullie me mailden zag ik één pixel. Het bleken er eigenlijk twee te zijn die elkaar aantrekken en afstoten. Alsof ze lijken te leven, te voelen, te verlangen... Kunnen jullie iets meer vertellen over het hoe, wat en waarom van dit werk?

J: Pixelspleen is een visualisatie van twijfel. Ik ben sinds enkele jaren bezig met het zoeken naar modellen die het logisch kader van de computer kunnen doorbreken. Bestaande systemen, zoals willekeurigheid, leken me iets te voorspelbare resultaten te geven, hoe dubbelzinnig dat ook mag klinken. De twee pixels die elkaar aantrekken en afstoten, bewegen zich volgens een softwareprogramma dat twijfel genereert. Eigenlijk geef ik de machine de tijd niet om zijn eeuwig ja/neen spel op te voeren, maar laat ik hem voortdurend bewegen tussen de twee uitersten die hij kent. Ja en nee, mannelijk en vrouwelijk, links en rechts, etc. Wat ertussen ligt kent of erkent de machine eigenlijk niet. In deze tussenzone opent zich een wereld aan mogelijkheden die eerder refereren aan emotionele en poëtische denkbeelden, dan aan die van machinale exactheid. Het is onvermijdelijk dat je je als toeschouwer projecteert op één of op allebei de pixels en/of je daarmee vereenzelvigt. Omdat het beeld zo minimaal is, twee hoofdrolspelers in constante beweging, ligt de weg open voor alle mogelijke interpretaties van die bewegingen en is het tegelijkertijd ook heel universeel. Het is een taal die iedereen begrijpt.

A: ‘Pixelspleen' is een ontmoeting, tussen het werk van Jerry en dat van mij, tussen twee pixels, tussen ja en nee, tussen man en vrouw, tussen zwart en wit, tussen oneindig klein en oneindig groot,... De beeldinformatie is minimaal, maar zeer gericht. Zo maak je de weg vrij om verhalen te koppelen aan die twee elementen die zich in een ruimte verhouden tot elkaar: het worden ‘entiteitjes'.

Zelf denk ik niet zozeer aan twijfel, maar aan minder rationele gevoelens als verlangen, aantrekken en afstoten. Tijdens mijn eerste ontmoeting met Jerry, enkele jaren geleden tijdens een symposium over digitale kunst in Vooruit, waren we het overigens oneens over een uitdrukking die ik gebruikte: ‘intuïtieve logica'. Jerry vond het nogal contradictorisch: hoe kan je nu intuïtief en tegelijk logisch zijn? Achteraf ontdekte ik dat de naam van zijn website ‘Fuzzy Logic' was. Daar liggen eigenlijk de eerste kiemen van ‘Pixelspleen'. Een wederzijds verlangen naar een organisch maken van het digitale.

J: Spleen betekent trouwens letterlijk de milt, wat de zetel van de zwarte gal was in de oudheid. Baudelaire heeft het woord in de negentiende eeuw populair gemaakt met zijn cyclus ‘Spleen' en ‘Ideaal', waarin hij schippert tussen alles wat slecht en ziek is en het ideaal.

 

Sign of the times #3

Spreken over kunst in het digitale tijdperk is spreken over de overvloed. Over de overvloed aan bestaande beelden en de ongelimiteerde mogelijkheden om er nog meer beelden bij te maken. Jullie kiezen naar mijn gevoel vrij consequent voor een tegengestelde beweging: voor een ecologie van beelden en een vrij radicale reductie van de technologie.

A: Ik ga altijd uit van heel veel maar aan het einde van het proces blijf ik met heel weinig over. Een soort spiraalvormig proces tot je komt tot een geconcentreerde aanwezigheid van weinig. Ik wil wars van alle anekdotiek iets puurs proberen te vertellen. Het is een proces van ‘strippen' of ‘afpellen' tot je de kern raakt van het verhaal of het gevoel of de gedachte. Technologische powerplay interesseert me niet. Het gaat me er meer om een relatie op te bouwen met de bezoeker door haar of hem ruimte te geven in het werk.

J: Ik vertrek altijd van de vraag: “heb ik dit of dat echt nodig om een bepaald werk te maken?” Dit is ook zo in mijn schilderijen, ik zal eerder alles weg schilderen wat er niet moet staan, dan eraan toe te voegen. Het is een persoonlijke gevoeligheid, niet zozeer een afzetten tegen de bombast van de technologie. Ik probeer steeds om het eindresultaat zo weinig mogelijk digitaal te laten zijn. De technologie en de logica erachter mogen niet zichtbaar zijn. Het maken, of programmeren van een werk wil ik zo intuïtief mogelijk houden.

 

In die zin oogt dit werk naar mijn gevoel vrij lineair – alsof de pixels enkel horizontaal lijken te bewegen. Een lineariteit waarin jullie zich, in het streven naar generatieve – bijna organische – kunst, toch tegen lijken af te zetten.

J: Het werk is zeer logisch opgebouwd. Links is ja, rechts is neen. De twee pixels proberen lijnvormig een evenwicht te zoeken tussen die twee tegenpolen. Het leek me beter om deze opstelling ook visueel te behouden. Een punt (of een pixel) is ook niet deelbaar in twee stukken. En punten die samenkomen vormen een lijn. Als je meerdere lijnen of krommingen gebruikt, dan krijg je een oppervlak en dus ook diepte. De essentie van Pixelspleen is nu net om de lichtheid en beweeglijkheid in één beeld te vervatten. Ook krijg je meer een frontaal gebeuren, zoals de stillevens van Cezanne, die ook steeds op zoek was naar eenzelfde beeld.

A: Die horizontale lijn suggereert de essentie van een landschap, een ruimtelijkheid. Ik hou van suggestiviteit, alles wat te veel is neemt ruimte af van het publiek. Voor mij dient die lijn als een draagvlak voor de twee pixels. Het is misschien te vergelijken met iets wat ik eerder, in ‘Petit Palais' (2002) deed. Toen was de uitdaging een landschap te maken waar alles vertrok van het middelpunt, wat het werk diepte en ruimtelijkheid geeft. Datzelfde effect keert hier terug in de manier waarop de pixels voortdurend weer naar het midden willen gaan. Ze bewegen naar links en rechts, naar boven en beneden en naar achter. Niet naar voor – dat is een bewuste keuze om het abstract te houden. De beweging gaat net tot waar het publiek nog ruimte heeft voor projectie, voor een eigen inbreng.

 

Sign of the times #4

Spreken over kunst in het digitale tijdperk is spreken over grensoverschrijdende kunst. Deze productie wordt getoond in een tentoonstelling over digitale kunst in België. Voelen jullie zich goed in die nationale context? Of had het ook iets anders mogen zijn?

A: Iedere Belgische kunstenaar mocht ook een internationale kunstenaar uitnodigen. Ik heb Ryoji Ikeda gevraagd omwille van zijn hoogst inspirerende minimale klanken, zijn puurheid. Van hem zal dus ook een werk te zien zijn als aansluiting of confrontatie met ‘Pixelspleen'. Ik moet zeggen dat ik me meer verwant voel met dat soort Japans minimalisme dan met Belgische kunst, maar misschien is dat net erg Belgisch om te zeggen. Ik denk vooral dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken uit zo'n jong medium als de digitale kunst, laat staan over digitale kunst van een bepaalde bodem.

J: Misschien tekent zich na verloop van tijd eenzelfde fenomeen af in de digitale kunst als in de andere kunsten: het eigenzinnige karakter van vele Belgische kunstenaars. Wat me altijd heeft aangesproken in de Belgische kunst is dat ze wars is van internationalisme.

 

Om te eindigen graag nog iets over het bewustzijn. Het fragmentje dat ik heb gezien was getiteld ‘twijfel'. Niet ‘toeval' (wat je zou verwachten van een computer, van een machine dus), maar ‘twijfel' (wat slechts mogelijk is bij wezens met bewustzijn). Alsof jullie in je ijver terug te keren naar de oorsprong, naar de essentie van de digitale kunst, uitkomen bij de existentie. Alsof jullie, door terug te keren naar het begin, de digitale kunst (nieuw) leven willen inblazen.

J: Het gaat er mij om de essentie van de machine en zijn invloed op ons bloot te leggen. Wat je ziet met Pixelspleen is de meest directe verbeelding van wat er in het programma gebeurt, zonder veel omweg of opsmuk. Twijfel is het afwegen van alle mogelijkheden, pro's en contra's, om dan mogelijk tot een beslissing te komen. In die zin is het niet onmogelijk voor de software om te ‘twijfelen'. Twijfel is een fysieke stilstand, er is geen actie, er is enkel nog het denken. De pixels verbeelden deze mentale aarzeling en de toeschouwer projecteert zijn emotie op de pixels, niet andersom. Het zijn eigenlijk nieuwe beelden, die in hun abstractie geen model hebben in de echte wereld. Net voor dat de kijker zich een beeld zou kunnen vormen van wat er gaande is, is er een interruptie. Dit geldt trouwens ook voor de twee pixels onderling.

A: Ik denk dat we daarbij onze eigen verhouding tot de computer niet mogen vergeten, wat voor mij een proces is van zelfonderzoek met de interface als een soort spiegel. De uiteindelijke vormen en klanken op het scherm zijn de conclusie van dat onderzoek, van die tocht, met de computer als een soort Sancho Panza.

 

 

 

 

Sign of no time
An interview with Anouk De Clercq and Jerry Galle

By Pieter Van Bogaert

Sign of the times #1

Pieter Van Bogaert: Talking about art in the digital age and talking about digital art are not one and the same. You both decided to work with the computer via a detour in analogue 'arts' (music and film for Anouk and painting and photography for Jerry). How important is that digital element for each of you? Can you tell a little more about that (analogue) background and whether/how it affects your work?

Jerry Galle : the photographic image has had an impact on my paintings. When I started to paint from photographs, I noticed the flexibility in the painting medium. It actually still is a faster medium to create art with than the computer. While painting from photographs, it was as if I skipped certain crucial steps during the painting process. The photograph already had an existence and the structure of images, needed to form a painting, created friction with the image that was predetermined by the photograph. It seemed an impossible task to separate that afterwards. This process started to intrigue me and ultimately drove me to the computer.

I can literally use this process with the computer and show the structural steps through time. These steps often manifest themselves in the abstraction of the original image, the images starting to behave in terms of the art of painting is inevitable. The digital medium too affects the processes of this distortion. The problem in that the computer, as it were, interferes in the process of creation, started to raise questions in me at an early stage. Questions such as: “who is actually creating these images, me or the computer?” Or, more fundamentally: “is it at all possible to create art using a logical machine?”

Anouk De Clercq : to me, the computer is where the arts come together, where text, image, music, architecture, space,…can be complementary to each other. It truly is a ‘medium', an object between people. Jerry and I create this work with the computer, as well as through the computer, virtually, by sending each other e-mail files. All in all we met maybe three times for Pixelspleen. Thus the computer certainly operates as some sort of interface.

Reality too is something completely different in the computer. There is in fact no reality to start from, but an immense space. That is a major difference when working in film or in a public space, e.g., it is already fully filled up. I particularly use the possibilities of the computer to form an abstract essence, averse to anything anecdotal.

Ultimately that analogue background of both Jerry and me are interlinked within our generation; a generation that started working with the computer after having finished school, the actual development years.

P.V.B. :On paper, your cooperation leads to quite a few similarities, as well as contradictions. Whereas to Anouk, the computer represents a space to create new universes, Jerry uses the computer to work out pictorial elements of the reproducible image. If Anouk (as a film director) steers towards cooperation with other artists, Jerry (like a software artist) works in first instance together with the computer. Whereas Anouk seems to refer more to avant-cinema pioneers, such as Marey and Muybridge, Jerry refers to pioneers from photography, such as Niepce and Talbot. If one is instinctively drawn to the happy end (an old legacy of cinema), the other inevitably reaches the no end (of the software). Do you recognise yourselves in these comparisons (comparisons which of course can also be referred to as supplements) and does this also affect this work?

J.G. : Those contradictions are there, which is a positive thing, but their effects are not really felt in Pixelspleen.

P.V.B. :But you do adjust to each other, right? Can't you sense that in this work?

A.D.C. : First of all, I also see affinities. The paintings of Jerry, his nocturnal palette, the space and depth he creates in black, represent an infinity that I find highly fascinating. However, the main compromise between us can be found in the perception of time. The basic principle of Pixelspleen is like creating a work that has ‘no end' or ‘no beginning' (a concept that I first started to work with in Pang (2005), but which Jerry has been engaged in for much longer). The major difference in that perception of time is that there will be no end, no solution – and that is extremely difficult as it is an entirely new concept to me. It basically comes down to passing the initiative to the public, making this work more theirs than mine.

Sign of the times #2

P.V.B. :Talking about art in the digital age brings us to concepts such as the digital highway and its connotations of speed, networking and interactivity too quickly. But it can also be done slowly, in a single computer and without a network. Instead of using interactivity, you use the generative concept as a basis. Can you tell a little more about that and in relation to that, about how you position yourselves within the digital field?

A.D.C. : Jerry and I started from the notion not to want to create a linear work, which is at odds with my normal approach. My first non-linear experience (in Pang ) was positive. The work integrates so much better in terms of space and the distance to the public is reduced. I do not impose an existing route onto the public. It is more generous and that perception of time suits me better and better. This probably releases me from my film background.

I am not interested in joystick interactivity. What does fascinate me, and here I certainly share common ground with Jerry, is the interactivity between the different layers of the work: vision and sound, vision and space, sound and space. And, last but not least, the interactivity between the work and the public. The more so since the digital age is much associated with speed and abundance, I like to counteract that with a frozen frame and personal sensation.

J.G. : To me, the generative concept is the purest form to show work, typical of the computer. The software runs continuously and the flow of images is never identical. If you were to isolate a section from the flow, e.g. on a DVD, the work is given a different character. It becomes cinematic, with a beginning and an end. When a spectator enters the room, he will want to see the 'film' from the beginning to the end and thus has to wait for the loop to restart.

The compulsive character again interferes with another important theme for me, the relation between the perception of time inside and outside the computer. According to me, they do not run parallel. The processor is so much faster than us, yet impossibly slow in terms of intelligence. I experience this each time I use a computer and time and again it causes resentment. Perhaps this medium-critical stance is a legacy from the art of painting. The digital medium is subject to little critical thought. Terms such as speed and networking often have little in common with art. Interactivity is more than action/reaction, e.g. I believe the interaction between image and sound, whether or not physical, is much more fascinating.

P.V.B. :About Pixelspleen : within the sample that you mailed me, I noticed a single pixel. It actually emerged there were two, attracting and repulsing. As if they were alive, feeling, longing… Can you tell a little more about the ins and outs of this work?

J.G. : Pixelspleen is a visualisation of doubt. Since a number of years, I have been searching for models that can break through the logical framework of the computer. Existing systems, such as randomness, produced results that proved too predictable to me, no matter how ambiguous that may sound. The two pixels attracting and repulsing each other move in accordance with a software programme that generates doubt. In fact, I do not allow the machine the time to perform its eternal yes/no game, but let it continuously move between the two limits that it is aware of. Yes and no, male and female, left and right etc. Anything in between, the machine does not know or recognise. Within that interim zone a world of opportunities opens up that refers to emotional and poetic notions, rather than mechanical precision. As a spectator, you will inevitably project to one or both pixels and/or try identify with it. Because the image is so minimal, two leading figures in continuous motion, the road to all possible interpretation of those movements is wide open and at the same time also very universal. It is a language understood by all.

A.D.C. : Pixelspleen is the meeting point between Jerry's work and mine. The visual information is minimal, but very specific. This clears the way to link messages to those two elements that relate to each other in a space: they become small ‘entities'.

I myself do not think so much in terms of doubt, but of less rational feelings such as longing, attracting and repulsing. During my first meeting with Jerry, at a symposium on digital art, a few years ago, we actually did not agree on an expression I used, ‘intuitive logic'. Jerry believed it was rather contradictory: how can you act intuitively and be logical at the same time? Later on I discovered that the name of his website was Fuzzy Logic. And it is here where the first seeds of Pixelspleen were sown, a mutual longing to making the digital organic.

Sign of the times #3

P.V.B. :Talking about art in the digital age is talking about abundance, about the abundance of existing images and unlimited possibilities to create and add even more images. I feel you go for an opposite movement: for an ecology of images and a rather radical reduction of the technology.

A.D.C. : I always start with a whole lot, but at the end of the process I am left with very little. A spiral-shaped type of process until you reach a concentrated minimal mass. I want to state a pure message averse to anything anecdotal. It is a process of ‘stripping' and ‘pealing' until you reach the essence of the message, or the sensation or the thought. I am not interested in technological power play . It is more about building a relation with the visitor by allowing him or her space in the work.

J.G. : I always start with the question: “do I really need this or that in order to create a certain work?” The same applies to my paintings, I will paint over anything that should not be there, rather than add to it. It is a personal sensation, not so much an aversion to the bombast of technology. I always try to minimise the digital element in the end result. The technology and logic behind it must be hidden from view. I wish to keep the creation or programming of a work as intuitive as possible.

P.V.B. :In that sense, I believe this work has a rather linear feel – as if the pixels appear to be moving solely horizontally, a linearity which you, in your pursuit for generative – nearly organic – art, seem to have an aversion to.

J.G. : The work is very logical in structure. Left is yes, right is no. The two pixels try to find a linear balance between those two opposites. I felt it would be better to preserve this format visually. Also, a point (or a pixel) cannot be divided in two. And points that converge form a line. If you use multiple lines or curves, you create a surface and thus also depth. The essence of Pixelspleen is to capture that very lightness and flexibility in a single image. This at the same time moves the whole process to the front, like the still lives of Cézanne, who was also searching for the same type of image.

A.D.C. : That horizontal line suggests the essence of a landscape, a space. I love suggestiveness, everything in excess takes up space of the public. It can perhaps be compared to what I did before, in Petit Palais (2002). At that time, the challenge was to create a landscape where everything started from the centre, generating depth and space in the work. That same effect is reflected here in that the pixels have a continuous urge to return to the middle. They move to the left and to the right, upwards, downwards and backwards. Not forwards – this has been a deliberate choice to keep it abstract. The movement reaches up to where the public still has space for projection, for personal contribution.

 

Sign of the times #4

PVB: Spreken over kunst in het digitale tijdperk is spreken over grensoverschrijdende kunst. Deze productie wordt getoond in een tentoonstelling over digitale kunst in België. Voelen jullie zich goed in die nationale context? Of had het ook iets anders mogen zijn?

A.D.C.: Iedere Belgische kunstenaar mocht ook een internationale kunstenaar uitnodigen. Ik heb Ryoji Ikeda gevraagd omwille van zijn hoogst inspirerende minimale klanken, zijn puurheid. Ik moet zeggen dat ik me meer verwant voel met dat soort Japans minimalisme dan met Belgische kunst, maar misschien is dat net erg Belgisch om te zeggen. Ik denk vooral dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken uit zo'n jong medium als de digitale kunst, laat staan over digitale kunst van een bepaalde bodem.

P.V.B. :In conclusion then, I would like to ask about digital consciousness. The sample that I have seen was titled ‘doubt'. Not ‘coincidence' (what you would expect from a computer, thus from a machine), but ‘doubt' (a feature found only in creatures with a conscious). As if you, in your enthusiasm to go back to the roots, to the essence of the digital art, reach the existence, as if you, by returning to the beginning, want to breathe (new) life into digital art.

J.G. : What is important to me is to expose the essence of the machine and its influence on us. What you can see in Pixelspleen is the most direct visualisation of the principle in the programme, without a detour and unadorned. Doubt is the consideration of all options, pros and cons and the possibility to come to a decision. In that sense, it is not possible for the software to ‘doubt'. Doubt is a physical standstill; there is no action, only the thought process is left. The pixels translate this mental hesitation and the spectator projects his emotion onto the pixels, not the other way around. They are actually new images, which in their abstraction do not have a model in the real world. Just before the spectator could start forming a picture of the essence, there is an interruption. Actually, the same applies to the pixels together.

A.D.C. : I think that, within that context, we should not forget our personal relation with the computer, which to me is a process of self-study with the interface as a type of mirror. The ultimate shapes and sounds on the screens are the conclusions of that study, of that quest, with the computer as a type of Sancho Panza.