pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

De muren waar wij voor kiezen
Een gesprek met Sarah Vanhee

voor <H>art, 2013




Hoe kan je nog een maatschappelijk statement maken in de kunst? Binnen de muren van het museum, op de biënnales, suggereert Roos Van der Lint recent in H art. Ze verwijst daarvoor ondermeer naar het werk van Sarah Vanhee voor Contour. Ik denk dat we iets verder moeten zoeken. Dat is volgens mij ook wat Sarah Vanhee doet. Voor Contour maakt ze ‘I Screamed and I Screamed and I Screamed’ in de Mechelse gevangenis. Haar statement zit niet zozeer in haar video-installatie – dat zou ik eerder de poëtische neerslag ervan noemen – maar wel in wat gebeurt achter de schermen. De politieke dimensie van Vanhee’s werk bestaat erin dat ze wegtrekt uit de kunstinstellingen. Dat is nog duidelijker in ‘Lecture For Every One’ (LFEO), de lezing waarmee ze de laatste maanden ‘inbreekt’ in bedrijven, clubs en andere plekken waar mensen vergaderen. Tijd voor een gesprek.

Ik erger me nogal aan de lichtheid waarmee Roos Van der Lint – zij is niet de enige – over politieke thema’s in de kunst gaat. Volgens mij ligt de kracht van jouw werk niet in de kunstinstellingen maar wel in de plekken die je opzoekt om je werk te maken: de gevangenis in Mechelen voor ‘I Screamed and I Screamed and I Screamed’ of de bedrijven waar je naartoe gaat voor LFEO. Van waar komt die beweging?
Sarah Vanhee: “De reden achter LFEO is tweeledig. Enerzijds is er de inhoud: wat ik wil delen met een publiek, met ieder-één. Anderzijds is er een ontevredenheid over hoe ik werkelijk een politieke dimensie aanspreek binnen de kunst. Dat gaat niet zozeer over het product, maar wel over het publiek. Bij politieke voorstellingen in theater bijvoorbeeld zie ik maar in beperkte mate een politieke dimensie. De spanning verdwijnt, want het publiek komt met een bepaalde ingesteldheid, een bepaalde achtergrond, een bepaalde verwachting. Ik zie daar de potentie, het gevaar niet van in. De mogelijkheid om echt kritische vragen te stellen binnen een vrij homogeen publiek is sterk beperkt. Dat geldt niet altijd, maar het maakt wel veel politieke kunst minder relevant.
Wat zichtbaar is van mijn twee nieuwe werken in de kunstwereld is een soort neerslag die een relatie aangaat met de bezoeker van de culturele instelling en met de instelling zelf. De dingen zijn relationeel. Dat mis ik eigenlijk ook in Contour: het in vraag stellen van de vierde locatie. Naast de gevangenis, het voetbalstadion en de kerk is er immers ook het museum.

Zit dat relationele ook in je installatie voor Contour?
Vanhee: Mijn eerste idee voor Contour was anders dan wat het geworden is. Maar dat is niet zo erg. Die omstandigheden van de biënnale en van de gevangenis maken mee het werk. De installatie heb ik vooral gemaakt omdat er iets moest zijn in Hof van Busleyden. Ik sta daar honderd procent achter, maar het is inderdaad veel meer een poëtische hertaling. Daar zit een grote graad van fictionaliteit in. Je weet dat het een gevangenismuur is en dat het stemmen van gevangenen zijn en daar projecteer je dan van alles op. Die wetenschap vormt mee je beleving.
Maar uiteindelijk gaat het voor mij niet enkel over die gevangenis als politiek gegeven, maar evenzeer over de schreeuw en wat dat doet met mensen. Hoe mensen zelf schreeuwen. Hier komt het schreeuwen los van het proces in de gevangenis. Om opnieuw die relatie te maken geef ik de tekst van de performance – wat ikzelf schreeuwde aan de gevangenismuur tijdens de opening van Contour – mee aan de bezoekers van de tentoonstelling.

Zo koppel je terug naar de politieke dimensie achter het werk.
Vanhee: Wat is dat, de politieke dimensie? De problemen waarmee ik te maken heb in de gevangenis – met de directie én met de gevangenen – zijn dat politieke problemen of zijn dat bureaucratische problemen? Het heeft te maken met een ambtenarij en dat is het gevolg van politieke, beleidsmatige keuzes. Met LFEO merk ik dat ik in een bureaucratie terechtkom. Het is een systeem dat al die mensen die daar werken mee in stand houden. Daar zit je op een politiek niveau en daar wordt het interessant. Dat gaat voorbij het niveau van de representatie.

Het heeft veel met schaal te maken. De schaal van je bereik in de gevangenis of van de lezingen in de bedrijven is veel kleiner dan je werk in Hof van Busleyden of je presentatie van LFEO op het Kunstenfestivaldesarts of in Vooruit. Het is minder zichtbaar, maar heeft wel een grotere impact.
Vanhee: Die relatieve onzichtbaarheid vind ik zeer interessant. Ik ben iemand van verhalen. LFEO begint pas te werken door zijn onzichtbaarheid. Door het werk afwezig te maken, die beperking van de zichtbaarheid, vergroot de impact. En dan wordt het ook een verhaal.

Is dat jouw vorm van institutionele kritiek?
Vanhee: Zo kan je het noemen, ja. Bij beide projecten denk ik dat de instelling en de kunstenaar elkaar gebruiken. Voor LFEO gebruik ik het Kunstenfestivaldesarts of Vooruit als platform om het verhaal zichtbaar te maken en ook als sleutel om binnen te raken op bepaalde plekken. Maar het Kunstenfestivaldesarts en Vooruit gebruiken mij om aan de kunst en aan zichzelf een groter draagvlak te geven. Met alle respect en affiniteit en liefde die bij deze relatie horen. Maar dat is wel wat er gebeurt. Ik zou LFEO of ‘I Screamed’ ook buiten die instellingen kunnen maken, maar dan weet ik dat niet enkel de zichtbaarheid, maar vooral de impact veel kleiner wordt.

Daar speelt die schaal weer. De politieke dimensie die ontstaat in het werkproces en de daarbij horende beperkte zichtbaarheid.
Vanhee: Of de verhalende dimensie. Het narratieve, het fictionele, waar het verbeeldend proces weer begint. Het verhaal van LFEO is een verhaal dat ondanks zijn vaagheid toch tot de verbeelding spreekt. Ook bij mensen die de lezing niet hebben bijgewoond. Die twee niveaus houden elkaar in stand. Zelfs bij de mensen die ik daarmee overval merk ik een vorm van respect voor het idee achter dit verhaal.

Het is een listig verhaal: precies de vaagheid maakt het invulbaar voor iedereen.
Vanhee: De manier waarop je dingen doet en organiseert is belangrijk. Mijn geschreeuw tijdens de opening van Contour past daar ook in. Mensen vertellen me dat ik ze confronteer met zichzelf. Dan gaat het niet enkel meer over de gevangenis, maar ook over de plaats van het schreeuwen in de maatschappij. De gevangenis wordt dan ook een symbolische plek.

In H art staat dat je erin slaagt “streng bewaakte muren te doorbreken”. Dan ben ik geneigd – als het daarover gaat – om te zeggen dat je werk mislukt is.
Vanhee: Dat was ook mijn ambitie niet. In die zin kan je dus niet over een falen spreken. Het klinkt nogal sensationeel: de streng bewaakte muren van de gevangenis. Maar ik heb wel het gevoel dat mensen zich laten raken door de schreeuwen in de installatie. Op die manier brengt het iets over van het gevoel van de gevangenen. Zelf zou ik de metafoor van de doorbroken muur nooit gebruiken. Het gaat over de gevangenis als sociaal gegeven. De muren van de gevangenis, dat zijn ook de muren die wij als maatschappij daar zetten. Dat zijn ook de muren waar wij voor kiezen.

www.sarahvanhee.com
www.lectureforeveryone.be