pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Van Roland Barthes naar Herbé
‘My Last Life’ van Vincent Meessen in Aalst

voor <H>art, 2011



In 2009 maakt Vincent Meessen (1971) de videofilm ‘Vita Nova’. Dit jaar maakt hij daar een tentoonstelling bij: ‘My Last Life’. De weg van het nieuwe leven naar het laatste leven begint bij Roland Barthes, de Franse intellectueel en schrijver van ‘Mythologies’ (1957) en ‘La chambre claire’ (1980), en eindigt bij Herbé, zijn fictieve alter ego en – in deze tentoonstelling – auteur van alle boeken die hij nooit heeft geschreven. Het is een verhaal met vele en dikwijls onverwachte richtingen. We kregen een rondleiding van de bedenker.

“Het is mogelijk”, mijmert Roland Barthes in ‘La chambre claire’, “dat Ernest, als schooljongetje in 1931 door Kertész gefotografeerd, heden ten dage nog leeft (maar waar? hoe? Wat een roman!).” Vincent Meessen moet ook zoiets gedacht hebben toen hij een reproductie zag van de cover van Paris Match van 2 juni 1955. Op die cover staat een Afrikaans jongetje en het bijschrift vermeld dat de kleine Diouf met zijn kameraden helemaal uit Ouagadougou naar Parijs komt voor ‘Les Nuits de l’Armée’. Ouagadougou. Meer had Meessen niet nodig om terug te keren naar Burkina Fasso en naar de stad waar hij net enkele jaren had gewerkt.
Roland Barthes schrijft over de cover van Paris Match in ‘Mythologies’, zonder hem te tonen. Het is pas veel later dat de foto uitgroeit tot een icoon. Meessen vindt hem in een koffietafelboek over conceptuele kunst. Zijn zoektocht naar de “roman” achter de jongen leidt ook naar die van Barthes en naar die van zijn grootvader Louis-Gustave Binger, Frans koloniaal en stichter van Bingerville, de eerste hoofdstad van Ivoorkust. De foto ligt nu in veelvoud in de tentoonstelling als een nieuwe gedrukte versie van de Paris Match waar het allemaal mee begon. Het ziet eruit als een facsimile, maar het is het niet. Hier heet het een ‘Fac Dissimile’.

Vincent Meessen: “Dit is het eerste stuk dat ik maakte na de film. Het lijkt echt, maar het is het niet. Uit de originele uitgave heb ik enkel hernomen wat direct in relatie staat tot de koloniale kwestie. Dat is toch nog de helft van het tijdschrift. Barthes schrijft enkel over de foto op de cover en maakte zo één van de sleutelteksten voor het deconstrueren van het politieke beeld. Maar binnenin het tijdschrift staat nog veel meer dat ik moeilijk kon laten liggen. Die foto’s van koning Boudewijn in Congo bijvoorbeeld. Ik herklasseer die beelden als deel van dezelfde mythe. Zo merk je hoe de koloniale kwestie zich overal tussen wringt.
Ik ben geen echte Barthes adept, maar kwam tot dit werk door die cover uit Paris Match. Het is pas achteraf dat ik in zijn teksten het programma terugvond van mijn eigen werk: het creëren van ‘derde vormen’ in kunstwerken die het discours van het realisme vermengen met het poëtische van de conceptuele kunst.”

‘Vita Nova’, de titel van je film, is ook de titel van de roman die Barthes nooit heeft geschreven. Al wat rest van dat boek is een opzet van enkele pagina’s, geschreven vlak voor zijn tragische auto-ongeval in 1980. In de tentoonstelling staan nog drie andere boeken die Barthes nooit heeft geschreven. Op de kaft teken jij met Herbé en op de achterflap zet je een lijst van alle andere ongeschreven boeken. Door insneden op de tafels is nog duidelijk zichtbaar waar de objecten horen te staan. Toch gebruik je de tafels niet meer zoals ze geconcipieerd werden. Ze liggen op de grond als sokkels. En het materiaal van het archief staat tegen de muur, in de marge. Alsof de tentoonstelling nog in aanbouw is. Waarom die keuze?
Vincent Meessen: “Het is een nieuwe compositie om het archief levend houden. De dingen zijn niet dood. Het gebeurt vandaag. Dit fysiek archief is het ‘Corpus’ van de tentoonstelling en de tafels zijn constructies om het materiaal samen te brengen. Het openen van die vorm is een bevraging van het archief als fetisj.”

Een terugkerend beeld is dat van de gouden banaan.
Meessen: “Die gouden banaan verwijst naar een tekst van de ouders van Bichon, een figuur die regelmatig terugkeert in de tentoonstelling en waarover Barthes ook schrijft in ‘Mythologies’. Als de ouders van Bichon – pseudojournalisten met een dikwijls racistische inslag – het hebben over de zichtbare rijkdom van de inwoners van Goudkust na de onafhankelijkheid, dan is de gouden banaan één van de beelden die ze daarbij fantaseren. De banaan staat voor de fallus, het exotisme: de fetisj, quoi, of alle verschillende betekenissen die je erop kan projecteren. De naam van dit werk is ‘Factitius’. Dat is de Latijnse naam die aan de basis ligt van het woord fetisj, maar ook van de woorden feit en fictie. Nu, dat is een woord op mijn maat.”

“Dit (alles) moet beschouwd worden als gezegd door een personage (van een roman)”, leest de bezoeker op een neon. En Barthes als personage zit helemaal voor het eigenlijke begin van de tentoonstelling al in ‘Caméo’. Daar horen we zijn stem in een fragment uit een film van André Téchiné op een wat oubollige MP3 speler.
Meessen: “De vraag waarmee ik in 2006 aan deze geschiedenis begon is: hoe Barthes vandaag benaderen als een personage? In dit fragment spreekt hij over de relatie tussen het leven en de kunst. Dat past perfect in dit oeuvre dat eigenlijk altijd autobiografisch is geweest: de dode die spreekt over het leven. Het toestel dat het fragment afspeelt werd in mijn jeugd veel gebruikt voor taallessen. Die machine, van het merk Barthe, vervangt het beeld van de film.
Het is een manier om te introduceren wat volgt. Dit is niet de Barthes waar men zich aan zou verwachten. Bovendien laat dit toestel ook toe om de stem van de leerling op te nemen. Bezoekers kunnen terugspreken en een spoor achterlaten in de tentoonstelling. Zo bewerkte Barthes ook het corpus van anderen.
De neon introduceert Barthes zelf als personage. Het zijn niet enkel zijn woorden, maar ook zijn handschrift in de openingszin van ‘Roland Barthes par Roland Barthes’ (1975). Alle titels van de werken in de tentoonstelling gebruiken woorden van Barthes. Die van de neon is ‘Forgerie’. Het is een woord dat enkel nog door grafologen wordt gebruikt als ze spreken over imitatie van handschriften. Enkele woorden in de neon werden overschilderd. Zo ontstaat een dubbel leesregister en is het aan de lezer om te interpreteren.”

De les van ‘La mort de l’auteur’, Barthes’ legendarische tekst uit 1968 waarin hij de dood van de auteur laat volgen door de geboorte van de lezer?
Meessen: “Door de geboorte van de lezer, ja. Maar ook door de nutteloosheid van de biografie. De context is niet meer nodig voor het plezier van de tekst. Barthes is steeds meer aangetrokken door het poëtische, door wat hij ‘de derde vorm’ noemt: de vorm die het romaneske en de kritiek vermengt.”

Het poëtische keert ook weer in ‘Discours’, waarin je een bestaand monument voor revolutionair en oud-president Thomas Sankara in Ouagadougou herwerkt.
Meessen: “Het is een knipoog naar Broodthaers. Ik vervang het laatste woord uit ‘Discours d’Orientation Politique’ op het monument van Sankara door het woordje ‘poétique’, zoals Broodthaers deed in zijn ‘Carte du monde politique’. Dat is meteen ook het programma van Barthes: ‘Discours d’Orientation Poétique’.”

Nog een knipoog naar Broodthaers zijn de palmen die je gebruikt in je opstelling. Broodthaers gebruikte ze ook in zijn imaginair museum. En het is tegelijk een verwijzing naar het kolonialisme en naar de wintertuin, waarin exotische planten overleven.
Meessen: “Ja, en die wintertuin leidt dan weer naar de moeder, de persoon aan wie Barthes zijn laatste boek, ‘La chambre claire’, heeft opgedragen. Hij bespreekt daarin een kinderfoto van zijn moeder en haar broer – misschien wel één van de bekendste uit de geschiedenis van de fotografie, die nochtans amper iemand heeft gezien. De foto werd gemaakt in het huis van de grootvader, op het moment dat hij terugkeerde uit de kolonies. Misschien was het wel de grootvader zelf die de foto maakte.”

Dat soort potenties en mogelijke verbanden breng je samen in het diagram dat hier een volledige muur bedekt.
Meessen: “Dat diagram toont de vreemde samenloop van omstandigheden. Ik had een instrument nodig om alles in de hand te houden; een vorm die de verbindingen zichtbaar maakt. Uiteindelijk is het met behulp van een Open Source programma dit werk geworden: een soort readymade waarin de software het beeld bepaalt. Ik moet enkel de data invoeren. Zo ontstaat opnieuw een tekstbeeld, waarin de dingen wel met elkaar verbonden zijn, maar de verbindingen nog moeilijk te volgen. Het is een onleesbaar beeld dat tegelijk zorgt voor toevalligheden omdat namen die eerst niets met elkaar te maken hebben toch naast elkaar komen te staan. Het is een tegengeschiedenis van anekdotes met een ander soort intelligentie. Doordat alle werken erin staan, is het ook een kaart van de tentoonstelling: geografisch en mentaal.”

In je recentste werk gebruik je een spectrum.
Meessen: “‘Third Text’ is de titel van dat werk waarin ik drie verschillende versies van dezelfde tekst belicht met de drie kleuren van het spectrum. Het gaat om een kritiek die Barthes zelf schreef over zijn autobiografie. Het is een mooie tekst, maar vooral een sterk conceptueel gebaar, waarin Barthes zichzelf deconstrueert. Hij verheft zich in de tekst en in de titel tot de derde macht.”

Dat spectrum – of beter ‘spectre’, het Franse woord voor geest, spook – is iets dat veel recent werk over de koloniale geschiedenis achtervolgt. Bij je tentoonstelling in Parijs hoorde een filmprogramma, ‘Hantologie des colonies’, dat die spoken evoceerde. Één van de films in dat programma was ‘Spectres’ van Sven Augustijnen. Dat is geen toeval.
Meessen: “Sven en ik werkten rond dezelfde tijd met dezelfde geschiedenis. Toen ik mijn onderzoek begon naar Paris Match, was hij in de weer met de dekolonisatie in het Belgische tijdschrift ‘Pourquoi Pas?’. Er is zeker een soort momentum rond deze problematiek. Kunstenaars stellen zich vragen bij het koloniale verleden en doen dat op een persoonlijke manier. In tegenstelling tot historici schrikken ze er niet voor terug om hun eigen geschiedenis te betrekken in dat verhaal, hun persoonlijke spoken. Soms zijn dat onze eigen grootvaders, zoals bij Barthes. Dat is wat mij interesseert: de vermenging van de koloniale geschiedenis in de moderniteit. Door de zaken te herschikken, elementen te isoleren en anders met elkaar te verbinden, probeer ik dat potentieel tot leven te brengen.”

Vincent Meessen. My Last Life. Tot 3 maart in Netwerk, Houtkaai z/n, Aalst. Open di-zo, 14-18u. Op 7 februari organiseert Netwerk ‘Prospectus’, waarin Corinne Diserens, Olivier Marboeuf, Fabrizio Terranova en vele anderen reageren op deze tentoonstelling. www.netwerk-art.be