pieter van bogaert
pieter@amarona.be




voor AAIR, 2019
(read it in English)

 

Een venster in de wereld

Kijken naar Lina Laraki’s PLANT.MOV


Voor André Bazin, de grote filmcriticus en inspirator van de Franse Nouvelle Vague, was film een venster op de wereld. Het laat toe te kijken naar de wereld zonder je te verplaatsen. Film als onbewogen beweger, zeg maar. Als cinefiel hield Bazin veel van de cinema, maar streefde hij tegelijkertijd ook naar haar eind: naar het moment waarop de film en de werkelijkheid zouden samenvallen en de cinema zichzelf overbodig zou maken, het moment waarop de techniek van de cinema – fotografie, montage, postproductie,… – overbodig zou worden en film een ondubbelzinnige weergave zou geven van de werkelijkheid.

Zestig jaar later lijkt Lina Laraki Bazins dictum te verknippen, te ontdubbelen, om te draaien. Voor haar, zo lijkt het, is film een venster. Punt. En dat venster staat in de wereld. Altijd in het midden. Langs daar kijkt ze zowel naar binnen als naar buiten. Want het venster bij Lina Laraki reflecteert. Het is een kader om doorheen te kijken, maar ook een spiegel die het beeld teruggooit naar de kijker. Bij haar kijk je naar de wereld doorheen jezelf, en naar jezelf doorheen de wereld. Van buiten naar binnen en weer terug. Dat maakt film tot een waardevolle en absoluut te koesteren technologie. Cinefilie is hier niet langer uitkijken naar een eind. Het einde ligt hier niet langer voor ons, maar wel achter ons. En film helpt te zien en te begrijpen waar.

Film, voor Lina Laraki, is een ruimte om te bewegen. Dat is wat gebeurt in PLANT.MOV. De extensie in de titel laat geen twijfel: dit is een film, en wel één uit het digitale tijdperk. Maar met het wegnemen van de twijfel, verschijnt de dubbelzinnigheid. Kijk je naar een plant als een film? Of is het een film als een plant? Plantfilm of filmplant? Misschien is dat niet zo belangrijk en is wat telt de mogelijke omkering, de opening naar een andere lezing, het potentieel om te bewegen.

En in zekere zin maakt het wat we hier zien net heel Baziniaans en toont Lina Laraki zich hier ondanks alles als een verre erfgenaam van de Franse filmcriticus. Wat anders te denken van een plant als onbewogen beweger (zoals de film) in de armen van een laatste waarnemer (zoals de cinefiel die de film koestert, beschermt, maar ook altijd het laatste woord heeft). Misschien is dit wel het moment waarop film en werkelijkheid, de werkelijkheid als film (én als plant) samenvallen met elkaar. Deze film is een ruimte om te bewegen: een wandeling doorheen de stad vanuit je luie zetel of vanuit die pot onder je kont, en belangrijk: een verplaatsing naar een tijd (toekomst, heden, verleden) die er niet meer of nog niet is. Dat maakt haar film tot een metafilm. Baziniaanser dan Bazin. Metabazin.


Super 8
Het venster is hier geen grens (zoals bij Bazin) waar de wereld (of de film) begint en ophoudt. Hier staat het venster midden in de ruimte, als een bemiddelaar, een mediator tussen binnen en buiten. Het venster staat centraal in deze film waarin Lina Laraki blijft zoeken naar die verbindende gaten in de muren die toelaten om naar binnen te kijken en naar buiten, die transparante vlakken die toelaten terug te kijken. Het venster als doorkijk en als spiegel. Raken we daar niet aan de kern van wat film is? Een medium dat laat zien en dat terugkijkt? Een medium waar beide blikken, beide richtingen, elkaar ontmoeten en vervormen? Het venster als drager van een chemisch proces? Het komt allemaal samen in de tekstuur van die mooie beelden op Super 8, in de tekstuur van de korrel in de filmemulsie, de tekstuur van de reflectie in de vensters die ze opzoekt met haar camera.

Door te werken met Super 8-film kiest Lina Laraki voor de uitdrukkelijke aanwezigheid van een medium uit het verleden (en niet onbelangrijk: voor amateurs) om te kijken naar de toekomst. Want daarover gaat deze film na het einde, deze film van de laatste waarnemer, deze film over de toekomst die al achter ons ligt, over de futur antérieur. Meer nog dan een metafilm (een film over film / vensters / onbewogen bewegen) is dit een sciencefictionfilm (een film die durft de actualiteit te overdrijven om wat komt te begrijpen) en nog meer een fantastische film (een film die de verbeelding, de fantasie aan het werk zet). Voorbij Bazin, denk ik bij deze film aan Tarkovski (de reis in ruimte en tijd in Solaris, de ‘zone’ als plaats die niet bestaat en toch wel in Stalker) of aan Wenders (de engel in Der Himmel über Berlin als laatste waarnemer en als beschermer, de engel die altijd aanwezig is maar nooit echt).

Dat terugkijken naar een toekomst die er nog niet is, dat kijken voorbij de “amnesia for a future to come”, is de essentiële voorwaarde voor wie vandaag echt ecologisch wil zijn, de essentiële voorwaarde om de ware ecologische catastrofe die op ons afkomt te denken, om te kijken voorbij het eind. Daarvoor hebben we de film nodig, daarvoor dient de sciencefiction, daarin zit de kracht van de verbeelding: om te denken wat wordt en te kijken voorbij wat is.

PLANT.MOV is een film als een wereld, als een kosmos. Die plant (als film) en die film (als plant) zijn een metafoor voor de wereld. Gepot (ingeblikt) en toch op drift (in beweging) is dit een plant/film in exil. Dat verbindt deze filmplant met “Her”, de figuur die door de film/wereld/kosmos stapt met haar pot in de armen. Beiden zijn in exil: “potted yet adrift”. Vanuit het struikgewas kijken ze samen naar de stad aan de andere kant van de rivier. Ze gaan ernaar toe, lopen er door de straten, kijken door en in de ramen, zien er de achtergelaten planten (in exil: de cactussen en yuca’s in die Antwerpse huizen) en zichzelf. De ruimte, de folie, het plastic rond de planten vindt een echo in de plastic pot aan het achterste van de plant. Samen vormen ze een restant van een cultuur van consumenten. Van een aandachtseconomie, zo vluchtig dat haar belangrijkste product afval is, achtergelaten, zwervend doorheen de stad en de wereld.

Arabre
Zo maakt Lina Laraki zichzelf tot plant/film en laat deze PLANT.MOV zich lezen als een onirisch zelfportret. Lang voor deze film speelde ze al met het verzonnen woord arabre: een kruising van het Franse arbre (voor boom) en Arabe (voor Arabier). Het klinkt als een toverwoord in een sprookje, die de ene realiteit verandert in de andere. Het doet denken aan Slavoj Žižek die op een bepaald moment (in zijn In Defense of Lost Causes) schrijft over mensen als “symbolische planten”. Hij haalt er Hegel bij die de wortels van de plant ziet als haar ingewanden die ze in tegenstelling tot het dier naar buiten keert en ingraaft in de grond om haar band met de wereld aan te halen. En is dat niet wat gebeurt met de technologie, zoals de Artificiële Intelligentie (AI) die plant en mens in PLANT.MOV verbinden? Is die AI niet als onze naar buiten gekeerde ingewanden die zorgen voor houvast in de wereld? Bestaat de uitdaging van AI er niet precies in om opnieuw de overgang te maken van plant naar dier en ons te storten in de afgrond van de vrijheid? Post-human, post-plant, post-nature

Die eeuwige terugkeer van het gelijk(end)e, daar past nog een andere term bij: post-memory, of het geheugen van de voorouders dat doorleeft in de generaties na hen. En is dat niet het thema dat blijft terugkeren in elke nieuwe film van Lina Laraki? De manier waarop ze zoekt naar zichzelf doorheen haar gesprek met Abdelaziz in Entretien 0.0, de toegang die Abdelaziz zoekt tot zichzelf doorheen de wereld van de ander (als man onder de mannen, als vader onder de kinderen, als hoeder in de straat, als zoon van de moeder). De manier waarop ze zich de vrijheid toe-eigent om over zichzelf te spreken los van een geijkt Arabisch discours in Atlas of the Elements, doorheen de droom, het onbelichaamde, het gebaar. Of de manier waarop ze (in La Palestine comme geste) vanuit Amman naar Palestina kijkt als metafoor, als gebaar, als methode en als staat (van zijn, die we in ons dragen en altijd kunnen reactiveren), maar ook het lichaam als plaats dat niet enkel het land doorkruist maar net zo goed doorkruist wordt door het land. Post-memory ook als afwijzing van het eenrichtingsnarratief, zoals in haar achterstevorenfilm Si02, die opent met de woorden van het kind: “When I dream, I am planted in my head”. Is dat niet wat gebeurt in PLANT.MOV waarin Lina Laraki zichzelf filmt als geplant in haar hoofd en in haar droom? Of de manier waarop ze in Karama (dignity) opnieuw een volk creëert voor deze aarde van een volk dat ontbreekt: een kwestie van zich opnieuw, altijd opnieuw, op de kaart te zetten, in de wereld, geworteld, waar je ook bent.

Rizoom
Dat idee van een volk dat ontbreekt in Karama: Gilles Deleuze schrijft erover aan het einde van L’image-temps, als hij het heeft over de cinema uit de “derde wereld” (de derde cinema: cinema van het tussen, als mediator, die op een Kafkaiaanse manier werkt met de media, de taal van een ander). Daar wordt de massakunst van de cinema politieke kunst: in het uitvinden van een volk dat er nog niet is, “le peuple à venir”, of een volk van kunstenaars, van uitvinders, van scheppers. Het zal zijn eigen taal uitvinden door te spreken in de taal van een ander. Zo zal het volk (zich)zelf worden: “als het volk ontbreekt, als het uiteenbarst in minderheden, dan ben ik het die in de eerste plaats een volk is”, schrijft Deleuze. Het is niet het volk dat kunstenaar wordt. Het is de kunstenaar zelf die zich op de plaats zet van het volk.

Dat idee van Deleuze leidt opnieuw naar het idee van de verworteling in PLANT.MOV, naar wat zichtbaar is en wat niet, wat onder de grond zit en erbovenuit reikt, naar de boom en het rizoom. Dat is natuurlijk het uitgangspunt van Mille Plateaux, het filosofieboek van Deleuze en Guattari dat zich lange tijd liet lezen als een sciencefictionboek, het boek dat diende als inspiratie voor de denkers van de vernetwerkte samenleving die erop zal volgen, dat boek dat de toekomst schrijft als iets wat achter ons ligt. Tegenover het hiërarchische denken van de boom die vanuit de wortels verticaal groeit, steeds hoger in de lucht, zetten Deleuze en Guattari het beeld van het rizoom, dat zich zoals de wortels van het gras niet-hiërarchisch en in verschillende richtingen verspreidt onder de grond. Zo schrijven Deleuze en Guattari tien jaar voor de komst van het internet over de netwerksamenleving, over – inderdaad – de Artificiële Intelligentie die ons, als planten met binnenstebuiten gekeerde ingewanden (een beeld dat dicht in de buurt komt van het tot de fantasie sprekende Corps sans Organes in Mille Plateaux) houvast geven in een altijd bewegend netwerk. Het is die vernetwerkte samenleving die we paradoxaal genoeg elke dag omarmen via onze smartphones en laptops en tegelijkertijd afwijzen in onze aarzelende houding tegenover migranten: een gewilde en een ongewilde verankering in de wereld, via de technologie en via de natuur die ideeën, mensen en planten steeds meer met elkaar verbindt en die onder invloed van het veranderende klimaat in en van de wereld alleen maar wordt versterkt.

In deze en eerdere films toont Lina Laraki zich als het archetype van de vernetwerkte kunstenaar: altijd onderweg, altijd verbonden via het rizoom van wat post-human, post-plant, post-nature of post-memory is. Al die dingen die ze met zich mee blijft dragen, ook nu weer in de rol van artist in residence die haar naar Antwerpen bracht, gepot, gepost, verzonden: deze film is de poste restante in de tijdelijke residentie die ze achter zich laat. De manier waarop ze zich thuis voelt en ook niet, “potted yet adrift”, in elk van die plaatsen waar ze leeft en werkt, tussen Casablanca en Amman, tussen Londen en Antwerpen. Het zit in die herkenbare generische beelden van de vensters, van het glas, van de planten met en zonder mensen achter de ramen, van de film. Het zit in de keuze van die typische beelden die een plek maken tot wat ze is: de Schelde, de voetgangerstunnel, de torens van de stad, al duizenden keren gefilmd door de filmers – professionelen én amateurs – die haar voorafgingen,. Het maakt van Lina Laraki een post-filmer pur sang, een filmer van de toekomst die achter ons ligt, par excellence.