pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Het beeld in alle staten
Bij het werk van Juliana Borinski

voor Timelab

(continue in English)


Juliana Borinski heeft iets met beelden. Daar is ze voor opgeleid. Ze heeft iets met beweging. Dat toont ze in haar beelden. Ze heeft iets met media. Daar zijn beelden en beweging mee gemaakt. Ze gebruikt media niet – zoals het meestal gaat – om beelden vast te leggen, maar wel – ze is tenslotte kunstenares – om ze te bevrijden. Haar interesse gaat naar de manier waarop media bewegen; de manier waarop ze trachten te ontsnappen aan de stempel die op hen drukt.
In ‘LCD’ vangt ze vloeibare kristallen, zoals die in de courante tv-schermen, in een diaplaatje. Ze projecteert ze tot ze kristalliseren – dat deden ze aan het begin van de negentiende eeuw ook voor de eerste zilvernitraatfoto’s. Ze drukt ze af op koperplaten – dat deden ze in de tweede helft van die eeuw voor de eerste fotogravures. Die drukt ze af op papier – zo werden de eerste gedrukte prenten gemaakt.
Haar onorthodoxe werk met vloeibare kristallen, leidde haar naar het ‘Institut de chimie des surfaces et interfaces’ in Mulhouse. Ze vindt en maakt er beelden van oppervlakken die een rol zullen spelen in het volgende werk. In ‘Surfaces of Plateau (1,001 pictures)’ bijvoorbeeld. Dat onderzoek naar de Belgische wetenschapper Joseph Plateau (1801-1883), die niet enkel pionierde in de optische wetenschappen maar ook belangrijk onderzoek verrichtte naar oppervlaktes en hun spanningen, bracht haar naar Gent.
Het lijkt een onvermijdelijke speling van het lot voor deze mediakunstenares en -onderzoekster (of -archeologe, dat is misschien een beter woord). Plateau is één van de grondleggers voor de natuurkundige principes die aan het einde van zijn eeuw zullen leiden tot het ontstaan van de cinema. Zijn beeld stond lange tijd aan de ingang van het Brusselse Filmmuseum en de belangrijkste Belgische filmprijzen werden naar hem genoemd. In zijn archief, dat bewaard wordt aan de Gentse Universiteit, vindt Juliana Borinski tekeningen en formules voor instrumenten en oplossingen. Die maakt ze na tijdens haar residentie in Timelab.

Uit haar recente onderzoek in Mulhouse en Gent volgen enkele even onverwachte als fundamentele vragen over het beeld.

1.
Eerste vraag: “Wat is een beeld?”. Het is een vraag van een verraderlijke eenvoud. Het antwoord is het iets minder. Er zijn waarschijnlijk evenveel antwoorden als er kijkers zijn. In het geval van Juliana Borinski lijkt het eerste antwoord: “niet iets dat vastligt”. Het beeld beweegt. Het is vrij en je moet het vangen om het te zien. Het beeld is wild en Juliana Borinski is een jager.
Het helpt als de jager ook een beetje wild is. Een goede jager schrikt er niet van terug om buiten de lijntjes te kleuren. Zo leer je de knepen van het vak. Juliana Borinski is eigenlijk een stroper. Ze zoekt de binnenwegen van het terrein; de shortcuts van het vak. Ze schrikt er niet voor terug de projectie om te draaien en (in ‘LCD’) een negatief te produceren van een beeld dat geen negatief heeft. Ze bevrijdt een digitale tape (in ‘Sine – digital/analog converter’, haar samenwerking met Pierre-Laurent Cassière) en maakte zo een film van iets dat geen film meer is; een kinetische sculptuur. Ze maakt levende lenzen van vloeibare zeep (in ‘Surfaces of Plateau’). Zoals een jager die wild uitzet voor de jacht, laat zij beelden los om ze daarna des te beter te kunnen vangen. De cyclus uitzetten-jagen-trofee wordt bij haar experimenteren-begrijpen-presenteren.
Het negatief, de tape, de lens,… dat zijn haar beelden. Als goede jager/stroper heeft Juliana Borinski een gezonde interesse in de mechanismen van het beeld. Ze mengt digitale en analoge technieken. Ze gebruikt media uit de pre- en de postcinema. Ze past ze toe op druktechnieken met wortels in de teken- en schilderkunst: gravure, diepdruk, zeefdruk. Ze verandert beelden, technieken, media van kader. Ze haalt ze uit hun kader en zet ze in een nieuw – van een tv-scherm naar een diaraam; van een diaprojector naar een koperplaat. Ze geeft tweedimensionale beelden een derde dimensie en maakt er zo sculpturen van: 24 frames uit een verweerde 35mm-kopij van ‘In a Dark Mirror’ op elkaar geperst geven een onverwachte diepte aan het beeld – tijd (één seconde) wordt ruimte (de diepte van de laagjes film). Ze bevrijdt haar beelden om ze daarna weer even vast te zetten (en ze vervolgens opnieuw te bevrijden).
Dat vermengen van technieken, beelden en tradities zit van bij aanvang vervat in ‘Surfaces of Plateau (1,001 pictures)’. Borinski deelt met Plateau haar archeologische interesse in de wetenschap van het beeld. Ook bij hem lopen oude en nieuwe media door elkaar. Hij maakte lenzen van zeep, zoals Galileo Galilei het enkele eeuwen eerder al deed. Zijn bewegende beelden lijken op die van Duchamp (of, nog recenter, die van Bram Vreven), een flinke eeuw later. De inspiratie van de ene, dient als inspiratie voor de andere.

“Een beeld is (alles) wat we zien”. Misschien is dat wel een goed antwoord op de eerste vraag.

2.
“Het beeld is (alles) wat we zien”? Er zijn nochtans veel dingen die zichtbaar zijn, die gezien worden, en die we toch geen beeld noemen. Het antwoord op de eerste vraag hangt daarom samen met de tweede: “Wat verwachten we van een beeld?”.
We verwachten van het beeld dat het iets vertelt. We willen dat het beeld ons interesseert. We willen een plaats in het beeld. En toch kijken we amper voorbij het oppervlak. Daarover gaat ‘Surfaces of Plateau’: het oppervlak, wat zichtbaar is en waar Juliana Borinski door wil kijken. Dat was haar belangrijkste reden om naar Mulhouse te gaan: de studie van het oppervlak en wat er in zit. Ze maakt er ‘In the Soul of Film’. Voor die reeks van twaalf foto’s zoomt een nanomicroscoop in op een fijn laagje goud op een stukje pellicule. In de diepte van het oppervlak wordt een hele wereld zichtbaar – twee dimensies (denk aan de 24 frames van ‘In a Dark Mirror’) worden er drie.
Elk beeld passeert langs het oppervlak. Van de lens die ze registreert en de lens die ze projecteert, over de drager (surface), het medium (interface) tot de lens die ze ontvangt (het oog). Het is het onderzoek van de oppervlakte dat Plateau uiteindelijk bij zijn onderzoek naar de optische lens brengt. Om in staat te zijn de oppervlaktespanning te berekenen – daarmee legt Plateau de basis voor iets wat vandaag dagelijks wordt toegepast in de architectuur – construeert hij vreemde objecten met uiteenlopende vormen. Zeep zorgt voor de oppervlakte tussen de verschillende ribben van de sculpturen – het zorgt voor de spanning, de betekenis. Zo legt Plateau de basis voor de film. De eerste lens is een film: een flinterdun laagje zeepsop.
Tijdens haar Gentse residentie bouwt Juliana Borinski die objecten als sculpturen na. Ze vertellen iets over Plateau. Ze test op die sculpturen het perfecte recept voor een lens van zeep. Het vertelt iets over de wetenschap. Ze maakt beelden van de objecten – ‘Rayogrammen’, door ze, zoals Man Ray in de jaren 1930, op fotopapier te leggen en te belichten. Stereobeelden in het archief van Plateau inspireren haar tot het maken van beelden met een digitale scanner. Het toont de diepte van het oppervlak – de derde dimensie van de sculptuur.
Het beeld is meer dan wat we zien. Het is wat we projecteren, door te kijken. Een blik is nooit neutraal. We zien slechts wat we willen zien. We zoeken slechts wat we willen vinden. Het beeld is meer dan haar oppervlak, haar gezicht, haar verschijning. Elk oppervlak heeft een diepte die meer toont dan er is te zien. Dat wordt duidelijk bij de afdrukken van ‘LCD’. Beelden van de dia met de vloeibare kristallen waar het allemaal mee begon, werden geprojecteerd op een koperplaat. Zo een plaat afdrukken, is enkel mogelijk omdat het beeld in de diepte van het oppervlak verdwijnt en verschijnt.
Kijk naar de afdrukken van de koperplaten op papier. Het zijn er twaalf in totaal (dat cijfer verwijst naar het oorspronkelijke grondtal, maar ook naar het minimum aantal beelden voor de illusie van beweging). Ze geven een beeld van een projectie. Of kijk naar de kleuren van de zeepbellen op de scanner: rood, geel en blauw. Wat we zien is wat we projecteren: de kleuren van de scanner. Is dat een goed antwoord op de tweede vraag? “We verwachten van het beeld wat we er zelf op projecteren.”?

3.
Er is nog een derde vraag. Die is zo mogelijk nog taaier dan de twee vorige: “Wat verwacht het beeld?”.
We hebben het al gezegd. Het beeld is een oppervlak. Het is een verschijning. Het is een gezicht. Het hoofd, dat hoort nog bij het lichaam. Het gezicht echter, het oppervlak, dat behoort tot het rijk van het beeld. Het kijkt ons aan. Het verwacht dat we terugkijken. Dat we reageren. Handelen. Verbeelden.
We kunnen veel zien in een beeld van Juliana Borinski. Kijk nog eens naar de twaalf afdrukken op papier van LCD. Ik zie een gezicht (LCD II), een landschap (LCD IV), een universum (LCD XII of VII). Het zijn oppervlakken die tot leven komen. Het zit in de diepte van de druk. Het zit in het procedé; van de projectie tot de koperplaat. Het zit in de context, de kunstenares, haar referenties. Het zit in de titel, de manier waarop we erover spreken.
De titel van haar nieuwste project – ‘Surfaces of Plateau (1,001 pictures)’ – is een prachtig beeld, vol diepte en verwachtingen. Het draagt een hele wereld in zich. Het begint, ik blijf het herhalen, bij het oppervlak. Het is het oppervlak dat haar in Mulhouse bracht bij het ‘Institut de chimie des surfaces et interfaces’. Maar het gaat ook over het oppervlak van Plateau natuurlijk, de wetenschapper uit Gent en zijn experimenten naar de (oppervlakte)spanning van vloeibare zeep. En je kan het bovendien ook lezen als de oppervlakte van het plateau; het geeft dit beeld de belofte van de geografische diepte.
De 1001 in de bijtitel leidt naar een parallelle wereld. Het zou een omkering en uitbreiding kunnen suggereren van ‘Mille Plateaux’, het boek van Deleuze en Guattari waarin die geografische diepten onder het oppervlak zo een grote rol spelen (in datzelfde boek staan overigens enkele mooie pagina’s over het gezicht, de ‘visagéité', van het beeld). Het is een referentie naar de binaire code: de 0 en de 1. Maar het doet ook denken aan het oneindige, de ongebreidelde fantasie uit de verhalen van 1001 nacht. Het brengt ons bij de Arabieren die zo belangrijk waren voor de historische ontwikkeling van de optische wetenschap waar dit project – we zouden het bijna vergeten – over gaat.
En dan is er natuurlijk nog dat ene woordje, de rest, wat blijft: het beeld, de beelden, de pictures. Wat ons terugbrengt bij het oppervlak. Het eerste woord, het begin van het kijken, van de zin, van de betekenis.
Wat verwacht het beeld? Een reactie. (Plateau is er blind van geworden; een fout ingeschatte reactie op het beeld). Dat we kijken naar wat zichtbaar is. Erover reflecteren. Er iets mee doen. Dat we altijd opnieuw een antwoord zoeken op de eerste vraag: “Wat is een beeld?”. Dat we ons realiseren dat een beeld altijd meer is dan haar oppervlak. Dat in, onder, achter het oppervlak van de verschijning een realiteit schuilt. En dat die realiteit pas zichtbaar wordt door zelf iets te verwachten van het beeld. Die verwachting, dat heeft een naam: de verbeelding. En die verbeelding, daarover gaat het werk van Juliana Borinski.