pieter van bogaert
pieter@amarona.be

Een moment, een plaats, een doos, een lezer
Duncan Speakmans ‘short films for you’

voor Timelab

(read it in English)

 


(een zwoele namiddag in de stad)
Zijn naam is Duncan Speakman. Ik ken hem van de Subtle Mob tijdens Almost Cinema. Het is zijn antwoord op de Flash Mob. Die kennen we van foto’s en filmpjes op Facebook en YouTube: internetspektakel. Subtle Mobs zijn minder zichtbaar, meer om te beleven: omgevingsspektakel. Het moto is ‘Try to remain invisible’ en het doel is mensen met elkaar te verbinden. In tegenstelling tot de Flash Mob werkt de Subtle Mob niet voor specifieke plaatsen, maar wel voor types van plaatsen: een station, een winkelstraat, een plein,…
Zijn nieuwe werk, gerealiseerd tijdens zijn residentie in Timelab, verbindt vijf kunstenaars en één toeschouwer in evenveel types van plaatsen. Zij zijn het die hier samen verschijnen en verdwijnen in een omgeving. Er is een schrijver bij (Tom Abba), een fotograaf (Reinout Hiel), een geluidskunstenares (Els Viaene), een choreografe (Yoko Ishiguro). En jij, natuurlijk. Of, in dit geval, ik. Want nu is het aan mij dat hij zijn werk wil tonen.
We spreken af in een café vlakbij het Centraal Station. Die afspraak verloopt niet zonder drama. Het café is van naam veranderd. Ik ben een kwartier te laat. Hij belt mijn thuisnummer en denkt dat het mijn mobiel nummer is. Ik vind hem op de stoep voor het café en zie de opluchting achter zijn zonnebril. Aan zijn arm hangt een tas, met daarin een doos. Die doos, dat is het werk. Er staat een titel op: short films for you. Ik neem de doos in ontvangst en rij er lichtjes opgewonden mee naar huis. Onderweg begint het te onweren en zet ik mijn zonnebril af.

***

(thuis, valavond, de terrasdeur staat open na het onweer)
Een doos dus. Met kortfilms. Voor mij. Ik maak ze open. Ik vind er geen film, geen video, geen dvd, maar wel een boek, een koptelefoon en een loep. Het kabeltje van de koptelefoon verdwijnt in het boek. Aan de zijkant zit de startknop van een MP3 speler. Het boek is zelf een doos. Er zit niet enkel een MP3 speler in, maar ook losse documenten, een omslag met foto’s en midden in het boek zit een uitsparing voor nog een ander boekje. Ik denk Russische poppetjes: een doos in een doos, een boek in een boek. Ik denk aan dat boek in de verder zeer bescheiden bibliotheek van mijn vader: het dikste, dat je voorzichtig van het schap moest halen en waar binnenin iemand dwars door de pagina’s een gat sneed voor een fles cognac.
Dit boek is een draagbare ruimte. Het is niet enkel drager van kleine fysieke ruimtes, elk verhaal in dit boek verwijst ook naar een ruimte en start telkens met een instructie. De eerste luidt: “a slow walk in the early morning”. Ik leg het boek terug, sluit de doos en zet de wekker op het gloren van de dag.

***

(een verlaten straat, in de vroege ochtend)
Ik vertrek nooit, ik herhaal: nooit, op reis zonder boek. Daarom neem ik liever de trein dan de auto. Lezen in de auto maakt me misselijk. Maar een ochtendlijke wandeling met een boek? Dat is iets nieuws. Ochtendlijke wandelingen zijn er om de krant te kopen, of om naar de bakker te gaan. Niet om te lezen. Wandelend lezen, dat is voor priesters. Zij zijn de enige die dat kunnen. Dat is omdat ze het verhaal al kennen. Lezen, voor hen, is bidden: de herhaling van een ritueel. In mijn moedertaal is lezen overigens synoniem voor bidden.
Maar die ochtend sta ik moederziel alleen op straat, met een boek, en ik begin te lezen. Enkele instructies volstaan voor het lanceren van een nieuw ritueel. Ik zet de koptelefoon op, begin te wandelen en druk play. Ik wandel traag, en geef de stad de tijd om te ontwaken. Ik hou het boek goed vast, als een tasje, en zorg ervoor dat geen enkel papiertje, geen enkel kaartje of envelopje eruit valt. De soundtrack op mijn hoofd en het beeld voor mijn ogen versmelten tot een nieuwe werkelijkheid. Ik beweeg niet langer in de ruimte, maar wel met de ruimte. De ruimte staat op mijn hoofd. En als ik tien minuten later de koptelefoon weer afzet, stap ik van die ene realiteit terug in de andere.

***

(een café in de ochtend, de zon schijnt door het open raam)
De kop is eraf, het ritueel gelanceerd. Dit boek is niet enkel een ruimte: het pakt je in. Het is een medium: het zet je van de ene ruimte in de andere. Het is een vehikel: het verplaatst zonder te bewegen. Het heeft iets religieus: met instructies voor een andere werkelijkheid. Er is iemand daarbuiten die dit allemaal heeft bedacht en gemaakt: speciaal voor mij. Ongemak maakt plaats voor goed gevoel. Ik stap gewillig mee, ook al beweeg ik niet. Ik zie, ook al kijk ik niet. Ik hoor, zonder echt te moeten luisteren.
Ik bestel een koffie en zoek een man. Een oude, volgens het boekje. Ik kijk hem aan en druk play. De stem spreekt Engels met een Vlaams accent. Het is de stem van een jonge man. Desoriëntatie. Geluid en beeld lopen naast elkaar. Ze vullen elkaar aan. Ze hebben een betekenis. Iemand heeft dit geregisseerd, voor mij.
De tijd lijkt achteruit te lopen: de oude man en de jonge stem. Ik hoor nog andere stemmen, jongere zelfs, en oudere. Ze klinken soms achterstevoren. Ik denk aan ‘The Exorcist’: de stem van de duivel die haar lichaam binnenstebuiten keert. Het verhaal spiegelt: slachtoffer wordt moordenaar. Binnen komt naar buiten. Man wordt stem. Boek wordt verhaal. Documenten uit het boek plooien open, als bidprentjes in een bijbel: geesten uit het verleden. Ik beweeg tussen de levenden en de doden. Ik zweef tussen beeld en werkelijkheid.

***

(een tramhalte, na de middag)
Een boek is altijd een beetje reizen. Het is een capsule die zorgt voor geborgenheid. Soms geeft het zin, soms wijst het de weg, soms opent het de deur naar een andere werkelijkheid. En altijd stap je er net zo makkelijk (of moeilijk) in als uit. Ik kan huiveren bij de vreselijkste avonturen van Melville, Lovecraft of Poe, en er even vreselijk naar verlangen. Ik kan me laten beschermen en laten overweldigen door een boek. Lezen relativeert: geen boek is absoluut, geen boek is heilig.
Ik stap op de tram en druk play. De stad schuift voorbij. Ik beweeg zonder te bewegen. Geluid van de tram mengt zich met geluid van het boek. Ik open de envelop en haal de foto’s eruit. Beelden van de stad mengen zich met beelden in mijn hand. Ze leggen zich over mekaar. Al die plaatsen versmelten tot een niet-plaats. De stad verstijft terwijl ik beweeg. Stad wordt beeld, beeld wordt stad. Zelfs het geluid lijkt, voor even, te werken zonder de tijd.
Als een schip glijdt de tram door de ruimte: de kosmos van de stad. Ruimtes schuiven door elkaar. Niets is absoluut. Heeft iemand dit bedacht? Of is het er slechts voor mij?

***

(mijn straat, bij valavond)
Terwijl in de huizen de lichten aangaan, maak ik me klaar voor een korte wandeling. Ik sta op straat, kijk even rond, zet de koptelefoon op en druk play. Een bus glijdt voorbij. Mensen kijken me aan. Ik kijk verdwaasd terug. Een andere wereld. Ik stap. Het gele licht van de lantaarns spreidt zich over de straat. Een film, een laken, voor de stad.

***

(aan de tafel, thuis, avond)
Dit werk heeft veel, zoniet alles, te maken met vertellen en vertalen. Het zet de ene realiteit om in een andere. Het doet dat door te vertellen met woorden, door te vertalen naar beelden, door om te zetten in geluid. En zoals bij elke vertelling, bij elke vertaling, worden sommige dingen uitvergroot en verschijnen andere in miniatuur.
Diep in dit boek, in deze doos, zit een kleiner boekje. Ik heb er het loepje bij nodig om het te bekijken. Ik zet de koptelefoon op, neem het boekje in de hand en druk play.
Ik hoor verloren geluiden, omgevingsgeluid: brandend hout, stromend water, ruisende bomen. Elk van die geluiden maakt een overgang, het toont een grens. Grenzen van het hoorbare, grenzen van het zichtbare. De loep maakt het tastbaar.
Veldopnames, dat is het sonoor equivalent van de snapshot. De beelden in het boekje zijn het equivalent van veldopnames. Veldbeelden. Verloren beelden, omgevingsbeelden. De loep toont het raster van het gedrukte beeld. Het klinkt als de ruis in het geluid. De loep toont details in de opgenomen realiteit, maar meteen ook de techniek van de weergave. Die weergave dat is een vertaling. Het spel tussen beeld en geluid is dat ook. De twee versterken elkaar, ze verduidelijken elkaar. Ik hoor details in de ruis van het geluid, terwijl ik zoek naar details in het raster van het beeld. Als het boekje uit is en het geluid doorloopt, sluit ik de ogen om beter te zien.

***

(in de sofa, thuis, voor het slapengaan)
Bewegen zonder te bewegen. Raken we daar niet aan de kern van de cinema? Reizen zonder je te verplaatsen. Is dat de bedoeling van deze kortfilms voor mij? Een universum in miniatuur. Een minimum aan middelen voor een maximum aan effect. Een boek. Een scenario. Een regie. Een choreografie.
Dansen op papier, schrijven met beweging: dat is de finale van dit boek. Ik heb een partner nodig. Het boek wordt viraal (het is het altijd al geweest). Het zet een stap voorbij de solitaire daad van het lezen. Lezen, dat is wat je alleen doet om bij anderen te zijn. Een boek, dat is een pharmakon tegen de eenzaamheid. Dit boek heeft zijn bestemming bereikt. Ik vraag mijn danspartner naast me te komen zitten in de sofa, geef haar een extra koptelefoon en druk play.
De topjes van onze vingers dansen langs elkaar. Ze ontmoeten elkaar. Mijn hand wordt haar berg. We stoppen en kijken naar elkaar. Vrolijk trippelen we over de bladzijden tot in de kussens van de sofa.
Daar zitten we dan: dansend zonder te dansen staan we daar, zonder te staan. Ik sluit het boek, stop het met de koptelefoon en de loep terug in de doos en geef het aan haar: “deze kortfilms zijn voor jou”, zeg ik dan. Iemand heeft ze bedacht, iemand heeft ze gemaakt, speciaal voor jou.

***

(nacht, in bed, alleen)
Het boek laat me niet los. Elke miniatuur, van mijn ochtendlijke wandeling tot mijn late dans, van de quantum gothic horror tot mijn vrolijke exploraties, van de straat tot het café tot de niet-plaats van de stad: alle momenten, ruimtes, beelden en geluiden lopen door elkaar. Ik doe mijn ogen dicht en iemand drukt play. Marvin Gaye en Tammi Terell kuieren langs de lantaarns van mijn straat. Ze zingen een popsong: een verhaal in miniatuur. Over hoge bergen en diepe dalen en wilde rivieren, over wachten en verlangen, over stoppen en doorgaan. Ze zingen voor mij.