pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Sporen van het andere (en van interventies, existenties en interpretaties)
Over Traces of Spaces van Nikolaus Gansterer

voor Timelab

(continue in English)


In andere omstandigheden tekent Nikolaus Gansterer zelf, maar voor Traces of Spaces laat hij dat werk over aan het andere. U leest het goed. Niet aan een ander, maar wel aan het andere. De tekenaars zijn hier de wind, het water, planten en passanten in alle mogelijke vormen. Hij toont het allemaal tijdens een tentoonstelling in Vooruit. Installaties tonen de dingen in actie. Het archief toont de oogst van de kunstenaar.
Ik drink een glas met Nikolaus Gansterer in het café van Vooruit. Voor ons staat een sokkel, de grootte van een salontafel. Daarboven zweven drie ballons. Aan elke ballon hangt een pen die met de ballon mee beweegt over een blad. Op het blad zien we punten waar de pen bleef stilstaan en lijnen waar de pen beweegt tussen de punten. In het water van de Leie, die stroomt achter de Vooruit, drijven plastic dozen. Ook daarin vlot telkens een pen die mee beweegt op de golven van het water. Haar sporen laat ze na op een stuk papier bovenin de doos. In één van de torens van Vooruit hangt een pen aan een draad die vertakt in de vier windrichtingen. Door elk van de vier torenvensters gaat de draad naar een ballon die mee beweegt met de wind. Vanuit die toren zien we de toren van het Gentse Belfort. Daar hangt een plastic bakje met pen en papier aan één van de grote klokken. Om het kwartier registreert die bewegingen in de beiaard. En een eindje verder in de plantentuin volgt een pen de groei van een bamboeplant.
Elke dag maakt Nikolaus Gansterer een wandeling langs elk van die installaties om er de tekeningen van de dag te oogsten. Die tekeningen komen terecht in een archief op de zolder van Vooruit. Ze liggen horizontaal in tafels. Het glas op de tafels is makkelijk te openen, zodat de kunstenaar regelmatig tekeningen kan toevoegen. Bezoekers die verschillende keren komen, kunnen zo de groei van het archief volgen. Maar wat betekenen deze tekeningen? Wat lezen we af uit deze bewegingen?

Sporen. Deze tekeningen tonen in de eerste plaats sporen. En elk spoor heeft altijd ook een betekenis. Het gaat over wat we zoeken, maar niet graag achterlaten. Of wat we achterlaten, maar niet graag vinden. Wat we organiseren en toch proberen te vermijden. Sporen zorgen zowel voor fascinatie als voor irritatie.
We ruimen op, want we houden niet van zwerfvuil. We wassen onze handen, want zijn gesteld op hygiëne. We denken ecologisch, want krijgen schrik van smeltend poolijs. We klikken private browsing, voor dingen waar anderen geen zaken mee hebben. Hondenzakjes, vuilbakken, luchtverversers, antirimpelcrème, toiletten: het zijn allemaal sporen van een verlangen naar een spoorloos bestaan.
We vegen sporen uit, maar organiseren ze ook. Auto’s op de baan, fietsers op het fietspad, voetgangers op het voetpad, boten op het water en trams op de rails. We registreren aardbevingen, voorspellen het weer en meten de luchtkwaliteit. We schrijven brieven, regelen een erfenis of maken kunst. Het zijn sporen van tussenkomsten. Van passages. Sporen van gedeelde ruimtes.
Die gedeelde ruimtes, daarover gaat Traces of Spaces. Dit werk toont sporen van een kunstenaar. Het zijn sporen van interventies. Elke tekening toont sporen van existenties die ook interventies zijn. Het ultieme resultaat zijn sporen van passanten: interpretaties die ook interventies en ook existenties zijn.

Ruimtes. Traces of Spaces gaat over ruimtes met een potentieel: performatieve ruimtes. Torens om naar uit te kijken. Rivieren om te volgen. Een plantentuin die leeft en laat leven. Een café dat relaties en interacties genereert. Het gaat over ruimtes om in te verblijven. Een archief – deze tentoonstelling – waarin al die ruimtes samenkomen. Een residentie – Timelab – waarvan ze vertrekken.
Elke ruimte staat voor een standpunt: een moment van stilstaan, reflecteren, plannen, richting bepalen en weer loslaten. Want je kan beslag leggen op een ruimte, met een interventie, een existentie, een interpretatie. Maar altijd moet je de ruimte ook … ruimte geven. Je moet de ruimte loslaten en de mogelijkheid geven voor haar eigen interventie, existentie, interpretatie. De ruimte laten leven.

Tekenen. Nikolaus Gansterer laat de ruimte tekenen. En tekenen, daar heeft hij als kunstenaar nogal wat ervaring mee. Hij noemt het een “medium of high immediacy”. Een medium van een hoge onmiddellijkheid? Wat wil dat zeggen? Dat je er geen of weinig media / middelen voor nodig hebt? Waarom dan deze doordachte opstellingen? Dat het zich snel / onmiddellijk manifesteert? Hoe komt het dan dat tekeningen twaalf uur of meer in de maak zijn? Één waarin het medium zichzelf opheft tot het nagenoeg verdwijnt? Ik denk het niet.
Elk van deze installaties maakt het medium immers zeer zichtbaar. Hier lijkt eerder sprake van hypermediacy, een hyperbemiddeling. Het bakje dat op het water dobbert en waarvan een pen de bewegingen traceert op een blad papier; de draden uit de vier hoeken van de toren die elkaar ontmoeten in een pen; de pen bevestigd aan de bamboestengel; de pennen aan de ballons die bewegen met de kleine luchtverplaatsingen als er iemand langsloopt: het zijn zeer zichtbare media die de plaats innemen van de tekenaar. Ook dat is een vorm van loslaten. Deze installaties zijn een demonstratie van nederigheid. Ze laten de kunstenaar toe het instrument(ale) uit handen te geven.
De kunstenaar creëert (interventie) een relatie (existentie) en krijgt in ruil een tekening (een interpretatie). Daarin ligt het performatieve aspect van het tekenen, van de installatie en van het archief. Object wordt handeling.

Elementen. Nikolaus Gansterer is een sporenverzamelaar. Hij oogst tekeningen. Hij is een archivaris die werkt als een tuinier: bijhouden en onderhouden, maar ook inschatten en inspelen op de onvoorspelbare werking van de elementen. Hij zoekt ze op: de lucht rond de torens van Vooruit en Belfort; het water van de Leie; microben in de aarde. Dit zijn enkele van zijn elementaire hulpmiddelen: pen en papier natuurlijk, maar het kan ook een pianodraad zijn of een vrouwenhaar, een pluim of een laagje kalk, een ballon en een plastic zak, of wat aarde en een beetje suiker.
Hier komt geen spitstechnologie bij kijken. Geen objectief, geen lens, geen voorbeeld, geen referentie. Het gaat over de kunstenaar als medium, als machine, als routine. Het gaat om niet menselijke tekeningen. Maar niet menselijk betekent niet noodzakelijk objectief. Het betekent evenmin mechanisch. Laat ons het organisch noemen. En subjectief, maar dan – paradoxaal genoeg – wel gezien vanuit het object.

Meten. Nikolaus Gansterer is niet enkel tuinier en archivaris. Hij is ook een boekhouder, een econoom die zich buigt over de huishouding van de dingen. Zijn werk bestaat in de registratie van een dynamiek. Het nemen van de maat. Het is een vorm van in kaart brengen. Cartografie van beweging.
Die cartografie speelt ook een rol in Gansterer’s Drawing a Hypothesis. In dat lopende werk gebruikt hij diagrammen, de tekeningen waarin resultaten van metingen dikwijls terechtkomen. Door de diagrammen te kopiëren en te ontdoen van commentaar, schuift hij het werk van de interpretatie door van de wetenschapper naar de kijker. Het lijkt de omgekeerde beweging van Traces of Spaces. Waar Traces of Spaces de beweging wil registreren en dus vastleggen, gaat het er bij de diagrammen om de tekeningen opnieuw tot leven te brengen door ze te interpreteren; elke interpretatie is een vertaling die het diagram helpt overleven. Maar dat is natuurlijk ook het werk dat voorligt in Traces of Spaces. Het werk houdt niet op bij de interventie en ook niet bij de existentie. Het vraagt altijd ook om een interpretatie die – dat hebben we al gezegd – altijd ook een interventie is én een existentie.
Op die manier treedt Gansterer in de voetsporen van historische wetenschappers. Iemand als de Bengaalse natuurkundige en bioloog Jagadish Chandra Bose bijvoorbeeld. Die vond aan het begin van de twintigste eeuw de crescograaf uit, een instrument dat hem hielp bij het meten van de groei van planten. Het grote verschil tussen het werk van Bose of andere wetenschappers die werkten met seismografen, rotameters of manometers is dat het in Traces of Spaces niet zozeer gaat om de precisie, maar – net als bij de diagrammen – wel om het gevoel. Dit is geen wetenschappelijke onderneming, maar een esthetische. De analoge aanpak is daarbij zeer belangrijk. Net als het formaat. Want size does matter: kleinere formaten werken beter. Ze zorgen voor een hogere concentratie.

Dispositief. Al die metingen zijn het resultaat van de inzet van een dispositief – voor elke situatie ontwerpt de kunstenaar er een ander. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben publiceerde nog niet zo lang geleden een klein boekje met de grote titel ‘Qu’est-ce qu’un dispositif?’. Het dispositief – dat leren we uit die lectuur – is alles wat de handelingen, meningen, vertogen en gedragingen van levende wezens kan vastleggen, richting geven, bepalen, vormgeven, controleren en verzekeren.
Het dispositief is een apparaat, een dwingende mogelijkheid. Het is een middel, een midden, een tussen. Het is wat van het zijn een worden maakt, een proces, een ander(s)-worden. Het is, méér dan een instrument, zelf een beweger, een generator, een bemiddelaar, een medium. Het produceert gebruikers. De essentieel vernieuwende, creatieve kracht van het dispositief, haar vermogen tot transformatie, maakt dat we behoren tot die dispositieven, dat we handelen via hen. Het dispositief dispositioneert: het verplaatst de kijker die zo deel wordt van het werk.
Waar bij Agamben een dispositief disciplineert, controleert en subjectiveert (denk aan een gevangenis, een taal, een gsm en wat het doet met de gebruiker), gebeurt hier het omgekeerde. De manier waarop Nikolaus Gansterer zijn pennen en constructies uit handen geeft, zorgt voor een bevrijding (en niet voor een disciplinering). Het is een manier van loslaten (en niet van controle). Het is een objectivering (en geen subjectivering). Het resultaat is een verplaatsing, een dispositionering, in de zuiverste zin van het woord. Het is een poging zich in te leven in het andere. Een voortdurend worden: plant, wind, water, klok, microbe, beweging worden. Het is een cumulatie van processen, waarbij elke interpretatie altijd al een existentie is en elke existentie een interventie.