pieter van bogaert
pieter@amarona.be


Een werk om niet te vergeten

Jasper Rigoles IICAVAH

voor Young Belgian Art Prize

(EN, FR)

Het begint met één werk, één daad, één handeling. Op een dag in 1998, hij is dan achttien, koopt Jasper Rigole een doos met 8mm-films op de rommelmarkt. Het is het begin van wat uitgroeit tot een archief van duizend films en nog wat andere documenten. Het archief heeft een naam: IICAVAH. Dat staat voor ‘Internationaal Instituut voor de Conservatie, Archivering en Verspreiding van Andermans Herinneringen’. Vijftien jaar later is er nog altijd maar één werk. Het pakketje van toen is archief geworden. Zo gaat dat. Eén moment is bepalend voor een heleboel momenten daarna.

Alles zit in alles. Zo’n filmpje is als een stukje DNA. Het is drager van een hele reeks toevallige eigenschappen die gaan bepalen hoe iets er later gaat uitzien. Elk van die filmpjes in dit archief is gemaakt door mensen. Elk van die films vertelt iets over mensen. Het vertelt iets over de tijd waarin ze leefden en werkten. Over hun verlangens en hun liefhebberijen.

Dit werk gaat over een medium: de 8mm-film. Het toont hoe dat medium een manier van kijken bepaalt. Het toont wat waard is om te filmen, vast te leggen, door te geven, te bewaren. Het archief zelf is ook een medium dat het kijken (en het bewaren, het doorgeven, het niet vergeten) bepaalt. En vandaag vertellen die beelden uit een andere tijd ook veel over nieuwe media – over de digitale camera van de nieuwe amateurfilmer, het internet van de nieuwe archivaris. Het zegt veel over hoe we hier en nu kijken en bewaren, wat we vandaag belangrijk vinden om vast te leggen en niet te vergeten.

Dat dit een archief is van andermans herinneringen, zorgt voor een aura van objectiviteit. Het geeft een gevoel van wetenschappelijkheid. Maar altijd is er die indruk van ambiguïteit. Die hangt samen met de schizofrenie, inherent aan dit werk. Er zijn altijd meerdere personen betrokken in alles wat IICAVAH naar binnen haalt en naar buiten brengt. Er is de persoon van de maker van die beelden en geluiden. Er zijn de personen als onderwerp. Er zijn de personen voor wie die beelden en geluiden bestemd zijn. Er is de persoon die ze archiveert. En ten slotte is er de persoon die kijkt en luistert naar al die beelden en geluiden. Of leest, want teksten spelen een groeiende rol. Ook die bevestigen – als commentaarstem, als pancarte, als apart document of extra projectie – de achterliggende schizofrenie in elk van deze werken.

Dat is het geval in Temps Mort, genoemd naar één van de categorieën in dit archief (de achtste en kleinste: 1,1%). Het gaat – opnieuw – terug naar waar het allemaal begint: het doden van de tijd. Deze filmpjes tonen de beelden die de filmers maakten om het filmrolletje te vullen en klaar te maken voor ontwikkeling in het lab. Het zijn de persoonlijkste beelden. Ze tonen de filmer als amateur: niet enkel van het filmen, maar ook van de familie, het huisdier, de tuin, … Het toont het arbitraire: eender wat kan dienen om de filmtijd te doden. Het toont wat Georges Perec ooit omschreef als het infra-ordinaire: wat leeft onder het gewone. Het toont wat pas zichtbaar wordt in de duur van de opname: het onverwachte dat schuilt in een moment van onoplettendheid.

Om dat duidelijk te maken combineert deze archivaris de drie beproefde elementen: beeld, tekst en geluid. De projector en de platendraaier die hij daarvoor gebruikt vormen samen één werk, altijd dat ene werk. Ze verenigen het onhandige (teksten met annotaties op film van Roland Barthes, Jorge Luis Borges, Perec of over Michelangelo Antonioni: dat leest toch net iets makkelijker in een boek), het gewone (bewegende beelden in een film: daar schrikt al lang niemand meer van op) en het handige (geluiden uit het BBC-archief: die komen altijd van pas).

Iets gelijkaardigs gebeurt in Attraction, het werk, de categorie, waar al die dode tijd heen leidt. Het resultaat is opnieuw een metafilm, die teruggaat naar de begindagen van de cinema als kermisattractie. Ook toen was de uitleg – de tekst – van de operator even belangrijk als de beelden van zijn machine. Het toont – langs de blik van de personages die erin kijken – de camera als attractie. Het zijn het soort beelden die we nu enkel nog herkennen in de films van de amateur.

En ook hier die drieledige structuur. Hij verdubbelt zich in de talen, zichtbaar gemaakt met – opnieuw – een extra medium naast dat van de film: geen platendraaier deze keer, maar wel diaprojectoren (en ook hier: dat idee van de carrousel die verwijst naar de kermis en van de lus die teruggaat naar de wortels van de mediakunst). Elke projector brengt een eigen taal. Elke taal staat symbool voor een andere identiteit. Het Nederlands is de taal van de archivaris, en de meest persoonlijke, terwijl het Engels de taal van de internationalisering, van het objectieve, wetenschappelijke en empirische is, en het Frans de haute culture, het beschouwelijke en de filosofie vertegenwoordigt. Samen zorgen ze voor een extra schizofrene laag: verschillende persoonlijkheden in één persoon. Die schizofrenie is eigen aan dat ene werk, IICAVAH, dat al die andere werken verenigt.