pieter van bogaert
pieter@amarona.be

Onder de straten, de rivier
Kaffe Matthews’ The Swamp that Was

voor Timelab

(read it in english)


Laatst wou ik wat meer weten over IPEM, het Gentse Instituut voor Psychoakoestiek en Elektronische Muziek. Zo kwam ik terecht op de website van de openbare omroep. Dat is niet zo raar. Die omroep was in 1963 één van de stichters van het Instituut. Daarvoor werkte ze samen met de Gentse universiteit. Die ontmoeting van cultuur en wetenschap ligt aan de basis van het IPEM, waar muzikanten en ingenieurs samen muziek maken.

Wat ik dan vond op die website? Een uitzending van Tienerklanken, een jongerenprogramma uit een ver verleden waarin de reporter nog ongegeneerd een slow kan dansen met de tieners die hij interviewt. Jongeren luisterden toen liever naar jazz. Elektronische muziek werd gemaakt door mannen met stofjassen in laboratoria met grote machines. Zij – en niet de jongeren – kenden het verschil tussen concrete en elektronische muziek. Ze werden geïnspireerd door Pierre Schaeffer (voor de concrete) en Karlheinz Stockhausen (voor de elektronische muziek). Ze waren vol van de mogelijkheden van de nieuwe generatie bandopnemers. Ze spraken in lyrische termen over witte ruis (het geluid van de ether tussen twee radiostations) en over gekleurde ruis (het gefilterde geluid uit hun laboratorium).

Elektronische muziek was gewoon bizar in die dagen. En waarschijnlijk denken de mensen vandaag nog altijd hetzelfde wanneer ik met een fiets, uitgerust met twee luidsprekers onder het stuur en een kist vol elektronica op het bagagerek, door de Gentse straten rij. Die fiets, dat is het werk van de Britse geluidskunstenares Kaffe Matthews, gerealiseerd tijdens haar residentie in Timelab. Het is op die fiets dat mijn nieuwsgierigheid werd gewekt naar het IPEM en meer in het bijzonder naar de composities van Louis De Meester. Fietsend door de straten genereer ik, via een GPS die in verbinding staat met de technologie op het bagagerek, geluiden en verhalen over de stad. Op de Muinkkaai, aan het herenhuis dat ooit onderdak bood aan het Instituut, vertelt de weduwe van De Meester over haar man.

De geluiden van De Meester zullen later nog terugkeren op andere plaatsen van mijn fietstocht. En ook dat is natuurlijk geen toeval. Kaffe Matthews noemt De Meester zonder schroom de Gentse Stockhausen. Hij dient als voorbeeld voor de muziek die zij vandaag maakt. En eigenlijk kan je de lijn nog verder doortrekken van het IPEM aan de Muinkkaai naar het Timelab aan de Brusselsepoortstraat. Het is daar dat Kaffe Matthews maanden heeft gewerkt met het materiaal dat ze in diezelfde periode, samen met de Brusselse geluidskunstenares Els Viaene, verzamelde in de stad. Geen wetenschappers met stofjassen hier, maar wel kunstenaars met overals. Geen reusachtige machines voor specialisten, maar wel gereedschap voor doe-het-zelvers. En de interesse voor de psychoakoestiek is er verrijkt met een fascinatie voor psychogeografie.

Collaboratief en participatief

Ik had Kaffe Matthews al eens ontmoet: twaalf jaar geleden. Ze experimenteerde toen al een decennium met een viool en elektronica en behoorde tot het gild van de eerste generatie laptopmuzikanten. Ik herinner me haar bijzondere interesse voor de rol en het geluid van de ruimte in haar muziek. Bij onze eerste ontmoeting zat ze in de bar van een Brusselse concertzaal te luisteren naar de ijskast onder de toog. Dat geluid gebruikt ze enkele uren later in het concert in diezelfde zaal. Die interesse voor het geluid van haar omgeving is er nog altijd. In die mate dat ze eigenlijk nog amper in de concertzaal optreedt en steeds meer werkt op locatie. Ze brengt haar muziek in de omgeving waar ze haar geluiden haalt. Uit die bekommernis groeit ook haar methode. Die is collaboratief en participatief. Collaboratief, omdat ze samenwerkt met vele andere kunstenaars, technici, onderzoekers die haar moeten helpen om het geluid te krijgen van en op de plaatsen waar ze dat wil – dat verschilt eigenlijk niet zoveel met de samenwerking van muzikanten en wetenschappers in het IPEM. Participatief, omdat ze daarbij een beroep doet op de mensen uit die omgeving om haar de geluiden te bezorgen of om ze te verspreiden.

Dat geldt ook voor The Swamp that Was, de fietsopera – haar woorden – die ze maakte voor Gent. Dit project kent een voorgeschiedenis. Het begint in 2003 met Radio Cycle in Londen, de stad waar ze woont. Daar verbindt ze de fietsen van de participanten, langs de radio, met haar studio. Radio Cycle past in een late uitloper van een geschiedenis die begint bij de vrije radio in de jaren zeventig en eindigt bij de internetkunst in de jaren negentig – de belangrijkste participatieve en collaboratieve kunststromingen van de twintigste eeuw. Haar eerste idee was eigenlijk om de fiets om te bouwen tot een mobiele radiozender. Maar dat kan niet op een legale manier. Een radio mag alleen maar uitzenden vanop een vaste locatie. Een licentie heeft een vaste duur. En de radius van het zendbereik heeft een vaste perimeter. Voor Radio Cycle stond de zender in haar studio, had ze een licentie van één week met een radius van anderhalve mijl. Het waren de fietsers die het geluid van de radio verspreidden in de stad. Zo doorbrak ze de verlammende vastheid en werd deze radio toch nog mobiel.

De mogelijkheden en beperkingen van Radio Cycle doen haar nadenken over de technologie. Voor Marvelo, tijdens de Folkestone Biennial van 2008, verbindt ze haar fietsen voor het eerst met een GPS. Langs de satelliet omzeilt ze de restricties van licenties en zendbereik. In Gent verfijnt ze de technologie om te komen tot deze fietsopera.

Die persoonlijke voorgeschiedenis wordt in The Swamp That Was aangevuld met de geschiedenis van de stad. Waar ze in Folkestone nog werkte met anekdotes en fantasieën van de kinderen, gebruikt ze in Gent verhalen van de bewoners. Waar ze in Folkestone (net zoals in Londen) een beroep deed op de creativiteit van de deelnemers, zoekt ze in Gent op een meer documentaire manier naar verhalen over wat leeft en leefde achter de muren en onder de straten van de stad. Daarvoor trekt ze veel tijd uit om te praten met de bewoners. Maar ze trekt zelf, met Els Viaene, ook de stad in om er geluiden te verzamelen. Die geeft ze in dit werk terug aan de stad. Met de fietser als performer creëert ze een moeras van klanken en verhalen.

Het mag duidelijk zijn: dit is geen gewone opera. Geen aria’s in deze compositie, geen recitatief en ook geen dramatische ontwikkeling. Deze compositie bestaat slechts uit lijnen, fragmenten, flarden die de fietser aaneen rijdt. Dit is meer een kaart dan een opera, meer een partituur met verschillende mogelijkheden dan een eenduidige compositie. En ook het idee van de kaart is hier aan een update toe. Deze kaart is niet visueel, zoals ze dat al eeuwen is, maar wel sonoor. Luisteren is hier belangrijker dan kijken. De richtingaanwijzers zijn hier deel van de soundtrack. Zo horen kaarten te zijn in het digitale tijdperk.

Sonic cycling

Wat moeten we ons dan voorstellen bij die kaart van The Swamp That Was? Het is een fysieke, een tastbare kaart: je moet fietsen om ze te beleven. Het is een borgesiaanse kaart: zo groot als haar territorium. Het is een situationistische kaart: de informatie komt in verschillende lagen van woorden, geluiden, vormen, sensaties, indrukken, situaties. Het is een kaart die er elke keer anders zal uitzien: alles hangt af van het ritme en de ontdekkingszin van de fietser. Die moet zich toeleggen op de kunst van het sonic cycling: traag en met oor voor de omgeving.

Één ding ligt vast: het begin en eindpunt van de fietstocht. Daarvoor moet u naar de snoepwinkel naast Vooruit. Daar staan alle fietsen opgesteld en daar brengt u ze ook weer terug. Eens de straat op zijn er verschillende mogelijkheden. Er vertrekt een route langs de Muinkkaai. Die loopt langs het IPEM, maar ook langs de zoo en de Guldensporenstraat: sporen van een verleden dat er niet meer is. Het is de rustige route, langs de achterkanten van de gebouwen. Er is de blauwe route, langs de visserij, het water dat mensen en goederen vervoert. Er is de route van de Brusselsepoortstraat, die langs Timelab loopt, maar ook langs het begijnhof, de stokerij en de drankwinkel. Al die routes brengen de fietser vroeg of laat naar de Brusselsepoort en van daar naar Ledeberg.

In Ledeberg zijn geen routes meer. Deze wijk is een zone. Je fietst erin rond en de geluiden komen je van alle kanten tegemoet. Het is hier tussen het beton van de straten en de stenen van de huizen naast de snelweg (op posters achter de ramen: “Ledeberg wil leven”), dat dit project haar sociale dimensie ten volle ontplooit. Hier groeit The Garden, Matthews’ geschenk voor de buurt. De luidsprekers bevrijden geluiden van tsjirpende vogels en ruisende bomen. Je hoort er meeuwen en bijen. Een riviertje. En bij het binnenrijden krijgt de fietser een warm welkom van de Ledebirds: de plaatselijke band met een mix van alle culturen uit de wijk waar de kleinste supportertjes van Galatasaray voetballen met die van AA Gent.

Er is nog een laatste route. De extra route. De excursieve route. Het contrapunt, de extensie, het antwoord op de tuin die Matthews maakt van en voor Ledeberg. Ze noemt het The Holy Grail Trail. Die leidt de fietser weg uit de stad. Langs de Schelde gaat het naar het moeras zoals het vandaag nog altijd bestaat: de weiden waar de ganzen vrij spel hebben. Het is hier, meer nog dan in de routes in de stad, dat de geluiden zich helemaal mengen met hun omgeving. Het is de romantische route: je beweegt de natuur in op de tonen van De Meesters muziek voor Lancelot. Die ganzen, die muziek, die grote gevoelens van de liefde en van de trouw zorgen voor een sublieme vermenging van het reële en het surreële. Het is hier, en niet in de stad, dat de Situationistische dimensie, de psychogeografie, van dit werk helemaal duidelijk wordt.

Lokroep

Door de grenzen van de stad over te steken – die van de buitenwijk in Ledeberg en die van de weiden aan de rivier – maakt Kaffe Matthews de stad zelf nog tastbaarder. Van die andere ruimten, van die heterotopieën, die utopieën, keer je terug als een ander mens. Het zijn die excursies, naar Ledeberg en naar de oevers van de Schelde, die deze opera afmaken. Het bezorgt haar de noodzakelijke epische dimensie. De fietser keert terug als een moderne Odysseus. Deze fietser heeft de gevaren van de stad moeten trotseren – hoewel dat in een fietsstad als Gent nogal meevalt, maar toch: het oversteken van de kleine ring naar de andere kant vergt toch enig inzicht, moed en behendigheid. Deze fietser heeft zich op een dikwijls listige manier moeten bedienen van een kaart die zich niet zomaar laat interpreteren. En zo moet deze fietser zich uiteindelijk losrukken van de lokroep van de sirenen die hem weg willen van de stad. Al zit daar misschien toch nog de laatste list van deze componist die haar opera laat beginnen en eindigen met de onschuld van een snoepwinkeltje dat was. Het is de ultieme verlokking die de meest hardnekkige fietser doet terugkeren naar de plaats waar het allemaal begint.