pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

prefer english? go here

 

(voor bksm-cahier over de tentoonstellingscyclus 'The Good, the Bad, the Ugly')

 

 

Hoe mooi lelijk kan zijn (en omgekeerd)

Over De Tragedie van het Applaus - Strombeek van OHNO COOPERATION

‘The Good, the Bad and the Ugly’, zo heet de tentoonstellingscyclus rond schoonheid van bkSM. Dat is, op zijn minst gezegd, een vreemde titel. Het woord schoonheid komt er geeneens in. Wel het tegendeel: het lelijke staat er naast het goede en het slechte. Wat moeten we daarvan denken? Hoe vullen we dat in? Enkele antwoorden worden geleverd door de OHNO COOPERATION met haar bijdrage voor die cyclus: ‘De Tragedie van het Applaus - Strombeek’.

GOOD

In de klassieke Europese filosofie was het lang een uitgemaakte zaak dat het goede en het ronde op hetzelfde neerkomen. Het welgevormde, het kringvormige, het in-zich-terugkerende vormde de basis van haar ontologie. Die opvatting van het goede lijkt terug te keren (eerste circulaire beweging) in deze tentoonstelling.

Het welgevormde is zeer belangrijk hier. Op de plek waar de vluchtlijnen, het eind- en het keerpunt van deze tentoonstelling, elkaar ontmoeten, hangt een foto van de Canadese fotograaf Jeff Wall. Op die foto staan twee jongelingen. Gladde lichamen in een perfecte foto op een bovendien goed gekozen plaats: op de muur van de ronde ruimte die (nog een circulaire beweging) deze tentoonstelling afsluit en weer doet herbeginnen.

De vormgeving van deze tentoonstelling is doordacht. OHNO COOPERATION bouwt haar eigen expositieruimte in de bestaande tentoonstellingszaal van het Cultureel Centrum. Een ruimte met een in- en een uitgang, die samen een circuit vormen (een circulaire beweging). Daarin verzamelen de curatoren enkele werken die elk op hun manier een facet verbeelden van de populaire muziek – symbool van de gepolijste kunsten, met haar terugkerende beat (circulaire beweging) en haar eeuwige jeugd. Het regeneratieve van de popmuziek, laat zich weerspiegelen in de twee generaties kunstenaars (Nicolas Field °1975 en Maarten Seghers °1982 enerzijds en Rombout Willems °1953 en Jan Lauwers °1957 aan het andere uiterste) en curatoren (dezelfde Seghers en Lauwers). Die ultieme circulaire beweging houdt dit werk eeuwig jong.

BAD

De beste plaat van Michael Jackson heet niet ‘Good’, maar wel ‘Bad’. Dat is geen toeval. Goed bestaat niet zonder slecht. Beide zijn tot elkaar veroordeeld. Die spanning is essentieel. Zo gaat dat in de popmuziek en zo ook in deze tentoonstelling, where Bad means Good.

De titel van deze tentoonstellingscyclus haalde bkSM overigens van een klassieke spaghettiwestern. Geen echte western, maar een valse. Geen goede dus, maar van bij aanvang een slechte. Een film die in zijn valsheid, in zijn slechtheid, de echte inhaalt. Alles is in de overtreffende trap. Het beeld is breder, de kleuren zijn straffer, de helden zijn harder en de muziek indringender. Ennio Morricone’s mondharmonica’s snijden door merg en been, zijn gitaren slepen de kijker mee door de meest schrijnende situaties.

Jan Lauwers en Maarten Seghers hebben ook een film: ‘The OHNO Cooperation Conversation On The O.H.N.O.P.O.P.I.C.O.N.O. Ontology’. Je kan hem bekijken op hun website. Hij oogt ook als een western en de acteurs dragen iets dat lijkt op spaghetti op het hoofd. En ook hier is alles (sl)echter dan in een echte western. De ene cowboy is te oud, de andere te jong. De eerste praat als een demente filosoof, de ander als een kakelend kuiken. En de gitaren, die klinken helemaal uitgeblust.

Jan Lauwers’ bijdrage voor deze tentoonstelling, ‘Last Guitar Monster’, balanceert tussen beide films in; tussen de slechte en de echte slechte western. Het zadel, de gitaar, de circulaire beweging (nog een), het kleine beschermde ventje: ze vatten de essentie van de film van Sergio Leone en die van de OHNO COOPERATION in een beeld. Versteende cinema.

UGLY

Deze tentoonstelling is niet alleen slecht. Hij blijkt ook nog eens lelijk bovendien. ‘De Tragedie van het Applaus – Strombeek’ geeft blijk van een zeer materialistische – en langs daar quasi anti-esthetische, want ei-zo-na desublimerende – benadering. Beelden, muziek, opvattingen, ideeën worden hier vakkundig uit elkaar gehaald. Ontrafeld, heet dat hier. Deconstructie, noemde men dat elders.

Luidsprekers zijn uit een iPod getrokken (Nicolas Field: ‘Think thrice’). Microfoons vormen een circuit met gitaarversterkers (Rombout Willems: ‘receive-send-receive’). Instabiele stekkers zorgen voor minimale storingen (Maarten Seghers: ‘Fontein (Laat-Pornografisch-Evenwicht)’). Een sculptuur ligt in de hoek (nog Seghers) – ze lijkt wel vergeten; als een sokkel voor een verdwenen werk. Feedback ontstaat van zodra bezoekers de ruimte betreden (opnieuw: Rombout Willems, maar ook: Jan Lauwers, Nicolas Field).

Die bezoeker, die leverancier van applaus, die Ugly Bitch, daar gaat het hier natuurlijk om. Dat is de factor die de kunstenaars niet kunnen controleren, het facet dat de curatoren onmogelijk kunnen programmeren. Het is de toeschouwer die hier beslist over goed en slecht. En over lelijk. Want het is de toeschouwer die zorgt voor de storingen in bewegingen en geluid – het geruis en gekraak dat we in een minder artistieke omgeving ronduit lelijk zouden noemen.

APPLAUS

Ik bezoek deze tentoonstelling heel gepast na een bezoek aan ‘This door is too small (for a bear)’, een totaal gestoorde voorstelling van de Needcompany – moederorganisatie van de OHNO COOPERATION. Mijn applaus is al geleverd: voor die slapstick als hoge kunst, die foute boel als tragische schoonheid. Gewillig laat ik me rondleiden door Maarten Seghers: daarnet nog op de scène van ‘This door…’ en nu in de galerij van ‘The Tragedy…’. Daarstraks nog acteur en nu curator én kunstenaar.

Dat laatste is trouwens totaal fout – slecht! BAD! – in de context van de beeldende kunst, waar een ongeschreven regel zegt dat een curator zichzelf nooit opvoert als kunstenaar. Maar wie let daar nog op? Ik niet, verblind door zijn kunst, en hij evenmin, verblind door mijn applaus. Samen lopen we hier rond als (slechte?) Oedipussen, als (valse?) vadermoordenaars of – in de woorden van een voormalig popidool – als (sexy?) motherfuckers, met uitgestoken ogen. Om maar te zeggen hoe wreed schoonheid kan zijn, zo dichtbij de dingen der mensen.

 

 

How beautiful ugly can be (and vice versa)

On The Tragedy of the Applause – Strombeek by OHNO COOPERATION

The Good, the Bad and the Ugly, that’s the name of the series of exhibitions on beauty held by bkSM. This an odd title, to say the least. The word beauty doesn’t even occur. Its opposite does: the ugly is there, alongside the good and the bad. What are we supposed to think about that? What significance should we impute to it? A few of the answers are provided by the OHNO COOPERATION in its contribution to this series: The Tragedy of the Applause – Strombeek.

GOOD

In classical European philosophy it was for a long time accepted that the good and the round amount to the same thing. The well formed, the ring-shaped, the recurring-in-itself, these were the basis of its ontology. This conception of the good appears to recur in this exhibition (first circular movement).

The well formed is very important here. At the point where the lines to the vanishing point, the end and turning point of this exhibition, meet, hangs a picture by the Canadian photographer Jeff Wall. It shows two youths. Smooth bodies in a perfect photo in what is, moreover, a well-chosen place: on the wall of the round space that brings this exhibition to a close and makes it start all over again (another circular movement).

The design of this exhibition is well thought out. OHNO COOPERATION has built its own exhibition space in the existing exhibition area in the Cultural Centre. A room with an entrance and an exit, which together form a circuit (a circular movement). In this space the curators have assembled several works which each in their own way depict an aspect of popular music – the symbol of the refined arts, with its recurring beat (circular movement) and its eternal youth. The regenerative nature of pop music is reflected in the two generations of artists (Nicolas Field, b. 1975, and Maarten Seghers, b. 1982 on the one hand, Rombout Willems, b. 1953 and Jan Lauwers, b. 1957 on the other hand) and curators (these same Seghers and Lauwers). This ultimate circular movement keeps this work eternally young.

BAD

Michael Jackson’s best record is not called “Good”, but “Bad”. And that’s no accident. Good cannot exist without bad. They are condemned to each other. This tension is essential. That’s the way it is in pop music and the same applies to this exhibition, where Bad means Good.

bkSM in fact took the title for this series of exhibitions from a classic ‘spaghetti western’. Not a real western, but a fake one. So not a good one, but from the outset a bad one. A film, which, in its falseness, its badness, overtakes the true western. Everything is to excess. The picture is wider, the colours are stronger, the heroes harder and the music more insistent. Ennio Morricone’s harmonicas cut to the quick, his guitars sweep the viewer along through the most harrowing situations.

Jan Lauwers and Maarten Seghers have a film too: The OHNO Cooperation Conversation On The O.H.N.O.P.O.P.I.C.O.N.O. Ontology. You can watch it on their website. It looks like a western too, and the actors wear something that looks like spaghetti on their heads. And here too everything is at the same time worse and more real than in a genuine western. One cowboy is too old, the other too young. The first talks like a demented philosopher, the other like a clucking chicken. And the guitars sound completely washed out.

Jan Lauwers’ contribution to this exhibition, Last Guitar Monster, balances between these two films; between the bad and the really bad western. The saddle, the guitar, the circular movement (yet another), the little protected chap: they capture the essence of Sergio Leone’s film and the one by the OHNO COOPERATION in a single image. Petrified cinema.

UGLY

The Tragedy of the Applause – Strombeek presents a very materialistic approach, which makes it quasi anti-aesthetic because it very nearly desublimates. Images, music, opinions and ideas are skilfully taken apart. Unravelled, as it is called here. Deconstructed, as we call it elsewhere.

Loudspeakers are removed from an iPod (Nicolas Field, Think Thrice). Microphones form a circuit with guitar amplifiers (Rombout Willems, receive-send-receive). Unstable plugs make for brief bouts of interference (Maarten Seghers, Fountain (Late-Pornographic-Balance)). A sculpture lies in the corner (Seghers again) – as if it’s been forgotten; like a plinth for a vanished work of art. Feedback starts as soon as visitors enter the room (Rombout Willems again, but also Jan Lauwers and Nicolas Field).

Of course it’s this visitor, this supplier of applause, this Ugly Bitch, that it’s all about. This is the factor the artists have no control over, the aspect that it’s impossible for the curators to programme in advance. Here, it is the viewer who decides whether it’s good or bad. Or ugly. Because it’s the visitor who causes the interference in movements and sound – the hissing and crackling which in less artistic surroundings we would plainly call ugly.

APPLAUSE

Quite appropriately, I visit this exhibition after seeing This door is too small (for a bear), an utterly insane production by Needcompany – the OHNO COOPERATION’s mother organisation. My applause has already been given: for slapstick presented as high art, an idiotic mess as tragic beauty. I willingly allow myself to be led round by Maarten Seghers: who only a while ago was onstage in This door… and is now in the gallery with The Tragedy… First an actor and now a curator and artist.

This last point is actually completely wrong – BAD! – in the context of the visual arts, where it is an unwritten rule that a curator never presents himself as an artist. But who is bothered about that anymore? Not me, blinded by his art, nor him, blinded by my applause. We walk round together like (bad?) Oedipuses, like (fake?) patricides or – in the words of a former pop idol – like (sexy?) motherfuckers, with eyes on stalks. Just to say how cruel beauty can be, so close to human things.