pieter van bogaert
pieter@amarona.be


Onzichtbare films
Zoeken naar ‘Spectres’ van Sven Augustijnen

voor <H>art, 2011


‘Spectres’ van Sven Augustijnen is niet één film. Het zijn er vele. Het zijn alle films die hij wou maken tijdens de goed vijf jaar durende voorbereiding. Het zijn alle films die zijn publiek heeft gezien en alle films die het heeft willen zien. Het zijn alle films die dit werk omringen, voeden, uitmelken en zullen blijven achtervolgen.

Wat een film had kunnen worden over de koloniale geschiedenis van België, over Karl Marx in Brussel en Leopold II in Congo, over de moord op Patrice Lumumba en de rol van Koning Boudewijn in de onafhankelijkheid van Congo, over de vijftigste verjaardag van die moord en die onafhankelijkheid en het onderzoek van een parlementaire commissie, werd uiteindelijk uitgezuiverd tot het portret van één man: Ridder Jacques Brassinne de La Buissière.
Al die films – de films die Sven Augustijnen had kunnen maken en de films die zijn publiek had willen zien – doen de gemoederen flink oplaaien. Dat bleek na de première. Aan de ene kant zij die een portret zagen van Brassinne, zoals Augustijnen in vorige films portretten maakte van een kenner van het park, een zakkenroller of een onderneemster; en aan de andere kant zij die geen film zagen over Congo, zoals Sven Augustijnen in vorige films ook niet de geschiedenis vertelt van het Warandepark, van het zakkenrollen of van de bouw van een Brussels centrum voor hedendaagse kunst. Dat bleek nog eens tijdens het colloquium in Wiels, waar de kunstwetenschappers die een werk zochten van Sven Augustijnen positie namen tegenover de antropologen die (g)een film vonden over Congo.
‘Spectres’ is – dat leren de kunstwetenschappers – een performatief werk. Het is een film over het onzichtbare. Niet wat we zien in het beeld is belangrijk, maar wel wat we niet zien. Niet de essentie van het beeld, maar wel de geest ervan. Dat zijn de ‘Spectres’, de spoken, waar de titel naar verwijst. En het vraagt een goed kunstenaar om die spoken te doen werken.

Configuratie
Het onzichtbare, dat is natuurlijk het onderwerp van deze film. Dertig jaar lang probeerde Jacques Brassinne te achterhalen wat er gebeurde met een man die er niet meer is, want vermoord in 1961. Hij zocht naar een graf en een lijk dat er niet meer is, want na één dag opgegraven en later opgelost in een zuurbad. In de film zoekt hij de plaats van de executie, waarvan alle sporen intussen zijn verdwenen. Hij schrijft daarover een wetenschappelijk werk – want in de vorm van een doctoraat en dus quasi onzichtbaar – maar doet dat met een verborgen agenda, als betrokkene bij de gebeurtenissen van toen.
Die configuratie roept vele vragen op. Doet een onderzoek naar iets dat er niet meer is de grens tussen fictie en documentaire niet vervagen? En als dat het geval is, wie of wat kunnen we dan nog geloven? Als Brassinne zo nauw betrokken was bij de gebeurtenissen – niet met de moord zelf, maar toch met de enkele personen die aanwezig waren bij de executie en misschien ook opdracht gaven ertoe – is hij dan zelf een historische figuur of eerder een kleine garnaal in een wijd vertakt netwerk? Misschien is Brassinne zelf wel een misdadiger die, als een dief in de nacht, blijft terugkeren naar de plaats van de misdaad? Of misschien is de graaf d’Aspremont, wiens vader in een telex ooit allusies maakte op de gewenste uitschakeling van Lumumba, er wel een? Brassinne lijkt op zijn beurt een allusie te maken op de moorddadige neigingen van de zoon als hij in de film ei-zo-na over de hond rijdt van de graaf. Vervaagt hier ook de grens tussen dader en slachtoffer?

Context
Het zijn die vragen die na de film blijven doorwerken en waar de film zelf weigert een antwoord op te geven (anders zouden de vragen niet blijven werken – dat weet een ervaren kunstenaar als Sven Augustijnen). Dat antwoord ligt ergens buiten de film. In de spoken die de film omringen en waarvan ik er enkele heb gezien – of tenminste toch gehoord – na de première en tijdens het colloquium. Het is die context die Sven Augustijnen verder uitwerkt in de tentoonstelling en het boek.
Het contrast tussen de film, de tentoonstelling en het boek is groot. Als de film een portret toont van een persoon en probeert te achterhalen wat een man drijft in zijn onderzoek, dan toont de tentoonstelling eerder structuren in dat onderzoek: de manier waarop de man blijft terugkeren naar de plaatsen die al die jaren door zijn hoofd blijven spoken. Als de beelden in de tentoonstelling op enkele uitzonderingen na plaatsen tonen – wegen, huizen, terreinen – dan staan er in het boek vooral veel mensen. Als de film draait rond één persoon en de tentoonstelling rond verlaten plekken, dan is het boek overbevolkt.
Als ik naar deze film kijk als een esthetische en geen historische onderneming, als een kunstproject en niet als een wetenschappelijk project, dan word ik (en deze film) achtervolgd door twee illustere voorgangers. De eerste, de meest recente en meest voor de hand liggende is natuurlijk ‘Episode 3’ van Renzo Martens. De film liep een jaar eerder op hetzelfde kunstenfestival. Ook die film is een portret – een zelfportret van de kunstenaar – waarin de discussie verschuift naar Congo. En ook in die film vervagen de grenzen tussen de fictie en het documentaire. Maar eigenlijk gebeurt hier net het tegenovergestelde. Waar in de film van Sven Augustijnen alle krachten van buiten lijken te komen – de onzichtbare spoken die inwerken op de film – verdwijnt in de film van Renzo Martens elke notie van het buiten en daarmee ook elke kracht, elke mogelijkheid tot verzet.
Een ander werk dat mij (en deze film) zal blijven achtervolgen, is ‘Shoah’. In die film interviewt Claude Lanzmann negen uur lang overlevenden van de concentratiekampen. Hij weigert daarbij documentaire beelden te gebruiken. Meer zelfs: als hij die beelden ooit zou vinden, zo schrijft hij later, dan zal hij ze eigenhandig vernietigen. En net als in ‘Shoah’ is er in ‘Spectres’ niet zoveel te zien. En net als Lanzmann verstaat Augustijnen de kunst om de geschiedenis en haar verhalen aan de praat te krijgen. De waarheid ligt ergens daarbuiten: op een andere plaats en in een andere tijd. De manier echter, waarop Sven Augustijnen in het boek de beelden uit het archief van Jacques Brassinne publiceert – vakantiekiekjes naast weinig verhullende oorlogsbeelden, onderzoeksjournalistiek naast onschuldige souvenirs van een historische getuige – is totaal tegenovergesteld aan het werk van Lanzmann. Dit zijn de beelden die Lanzmann vast had vernietigd, als hij ze ooit had gevonden.

(hier staat een interview met Sven Augustijnen)