pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Attitude zkt. instituut

voor <H>art, 2010

 



Beste Bart,

Je moest eens weten hoe gelukkig ik was met je brief in de vorige <H>art. Eindelijk een debat, een gesprek, een publiek. Ik dien je met plezier van antwoord. Misschien maken we zo niet enkel het publiek zichtbaar (want ik behoor tot het jouwe en jij tot het mijne), maar slagen we er zo ook in te achterhalen wat we ongetwijfeld gemeenschappelijk hebben in onze onderlinge diversiteit. Misschien achterhalen we zo wel wat we allebei bedoelen als we het hebben over de commons, de notie die jij haalt bij Virno en waarvoor ik bijlees in het laatste boek van Hardt en Negri.
Eerst een kleine rechtzetting. Ik was inderdaad op de conferentie van het Comité van Roosendaal. Maar ik betaalde daar (zoals vele anderen) geen 25 euro, net zoals ik met mijn perskaart geen cinema betaal (in die zin heb je dan weer wel gelijk: de prijs van twee cinematickets, maar ook van veel meer – en minder). Had ik wel betaald, dan had ik me (zoals ongetwijfeld nog meer anderen) laten terugbetalen door mijn instelling – <H>art in dit geval.
Maar betalend of niet – ik zat in het publiek. En het publiek, daar gaat het om. En net als al die anderen, voelde ik me in de eerste plaats mezelf en niet een vertegenwoordiger van een kunstinstelling. Dat is één ding waarin we elkaar vinden: de afwijzing van een zeker universalisme en het geloof in diversiteit. Maar toch, als je me citeert over “nieuwe opportuniteiten voor kunstenaars, critici, ‘onafhankelijke’ curatoren en publiek”, leg je een heel andere klemtoon. Ik heb het hier niet zozeer over “nieuwe instituten” – ik laat het wel aan de lezer over om het zo te noemen – maar zeer expliciet over opportuniteiten. Mogelijkheden dus, en wel voor de individuen die ik daar opsom.
Ik heb het gevoel, Bart, dat jij – met je jarenlange ervaring – teveel denkt vanuit de instelling en dat je daarbij te snel het individu vergeet. Als ik pleit voor opportuniteiten, gaat het over steun voor de individuen die ik opsom en niet zozeer voor nieuwe instellingen. Ik pleit dus niet voor een veelheid aan organisaties, maar voor een veelheid aan spelers in het culturele veld. Dat gaat meestal over individuen (die je voor mijn part “nieuwe instellingen” mag noemen). Zo een herverdeling van het terrein en dus van de middelen, zal onvermijdelijk ten koste gaan van de huidige spelers (die kunnen we in vele gevallen ondubbelzinnig “instituten” noemen, zelfs al gaat het om individuen).
Het punt dat ik wil maken in mijn stuk over ‘Institutional attitudes’ is dat er nood is aan een nieuwe dynamiek in het culturele veld – en dat zorgt niet noodzakelijk voor verzanding, of erger, verlamming. Ik ben van oordeel dat de klassieke instituten die dynamiek eerder blokkeren dan activeren. Die dynamiek vertrekt van de actoren, en dat zijn er ontzettend veel meer dan de instellingen. En dan denk ik: ja, laat die curatoren maar hun inzichten meenemen in die rugzak. Laat ze die maar delen met steeds anderen (de curatoren, kunstenaars, publiek van het moment en van de plaats – van de opportuniteit). Dat kan enkel leiden tot verrijking (en wel met dubbele r, anders zitten we weer bij die standaard van de “oude instellingen”). Wat is er eigenlijk mis met de middelmaat (die toch voortdurend verschuift)? Met de korte duur (die zorgt voor een urgentie)? Met een gebrek aan structurele weerstand (die vraagt om een grotere alertheid)? Ja zelfs, met opportunistische openheid (lees er Gielen en Virno op na)?
Niet de overproductie is een probleem – ik heb er nog niet mee te maken gehad, tenzij dan met een productie die dwingt om keuzes te maken; om voortdurend rekening te houden met de verscheidenheid; om iets te ondernemen met beelden; om te verbeelden. Ook niet het permanente vergeten; ik heb eerder met het omgekeerde te maken. Het probleem is de instelling.

Fragiel
Ik heb het gevoel, Bart, dat je niet zozeer een houding zoekt bij je instelling, maar wel een instelling bij een houding. Die gedachte krijg ik bij het lezen van je inleiding in de catalogus bij de tentoonstelling van Auguste Orts in het M HKA. Je hebt het al snel over een bepaalde “attitude” van de organisatie en van de personen, de kunstenaars, die haar vormen. Wat verder heb je het over “institutional intelligence” (of I.I., zoals in de titel van je inleiding). De manier waarop je daar zeer adequaat de werking van Orts beschrijft en die van de individuen die er deel van zijn, komt zeer dicht in de buurt van het nieuw soort instellingen, de nieuwe attitude waar ik (ik geef het toe: in veel vager bewoordingen) naar verwijs in mijn stuk. Ik zou er – daar verschillen we opnieuw van mening – niet voor terugschrikken om het woord “entrepreneur” in de mond te nemen. Een ondernemer, in de zin van iemand die onderneemt met beelden en die hetzelfde vraagt van het publiek.
Dat entrepreneurschap maakt van Orts een fragiele instelling, die fragiel werk produceert en voor het M HKA een fragiele tentoonstelling maakte. Hoe fragiel, blijkt uit de brief die Herman Asselberghs voor de tentoonstelling schreef aan Manon de Boer. De brief (of toch een reproductie ervan) ligt nu in het M HKA en je kan erin lezen hoe een toeschouwer reageert op het nieuwe werk van die laatste en hoe de eerste denkt over de publiekswerking van het M HKA. Die brief zegt veel over het verschil tussen deze kleine organisatie (waar jij een instelling van wil maken) en jouw instelling (waar deze organisatie zich moeilijk laat inpassen).
Ik ben nog eens gaan kijken om te ervaren hoe fragiel deze tentoonstelling is. Bij een eerste visie zag ik obstakels in een slecht bedacht parcours, bij een tweede ging het om vluchtlijnen in een problematische ruimte. Dat heeft ondermeer te maken met de technici die tijdens mijn eerste bezoek nog in de weer waren met beeld en geluid van Hermans nieuwe video. Maar het heeft ook te maken met het inzicht dat ik kreeg toen ik voor de tweede keer naar de nieuwe video van Anouk De Clercq keek. Het zwerflicht dat van achter het scherm opduikt is geen storende factor, maar wel integraal deel van de projectie. Net zoals de tv (waar het puntje helemaal op het einde van de video, als een scherm dat uitfloept, naar verwijst) deel is van de omgeving of zoals sferen (in de video) altijd deel zijn van andere sferen (in het museum). Dit werk gaat over een spel van binnen en buiten, over kunst in een omgeving: in een groep (Orts) en in een museum (het M HKA).
Maar dat alles is natuurlijk bijzonder persoonlijk. Het is moeilijk uit te leggen aan een publiek. Meer: het werkt helemaal niet meer als je het uitlegt. Elk publiek moet dit (of iets anders) voor zichzelf uitzoeken en ervaren. In Hermans nieuwe video lees ik een deconstructie (of in het jargon: reverse engineering) van het instituut Steve Jobs (of voor de fetisjisten: de MacBook). Het is net zo persoonlijk als wanneer de klanken van Bergs Lulu uit de video van Manon in de ruimte ernaast, die de commentaar van de video van Herman overstemmen, me doen denken aan de vlek op de 3D-bril in Avatar of de koffietas die rakelings langs het klavier van de laptop zwaait in dat commentaar. Allemaal herinneringen aan de omgeving, de context van waaruit ik, als publiek, kijk.
Ik zou nog zoveel meer kunnen vertellen over deze tentoonstelling en hoe moeilijk ze is in te passen in het format van het museum, maar ik ben beperkt in het aantal woorden, het format van dit blad. Ik wou het nog hebben over de tafels, de prints, de kleur die zorgt voor uniformiteit (mij – maar dat is helemaal persoonlijk – doet het eerder denken aan een hospitaal). Ik dreig met weemoed terug te denken aan de presentatie van dezelfde tentoonstelling in Londen, twee jaar geleden. In een tijdelijke instelling (want een tentoonstellingsplek die niet meer bestaat), met echte brieven en illustraties in plaats van prints. Ja zelfs, met een curator die een heuse film projecteerde op gezette momenten van de dag. Dat was een tentoonstelling op maat van deze nieuwe instelling. In die zin doet je projectie van een attitude en een institutionele intelligentie op deze organisatie, geen deugd. Ik hoop dat we het er bij een latere gelegenheid uitgebreider over kunnen hebben.
Vele groeten,

Pieter

Dit is een antwoord op het stuk van Bart De Baere in <H>art #68, als antwoord op een eerder stuk in <H>art #66 over de conferentie ‘Institutional Attitudes’, georganiseerd door het Comité van Roosendaal. www.comitevanroosendaal.eu
‘Auguste Orts. Correspondence’ loopt nog in het M HKA tot 22 augustus. www.muhka.be