pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

De toekomst van het archief
Black Audio Film Collective in Stuk (of: politieke film, deel 2)

voor <H>art, 2011

 



Tussen 1982 en 1998 ontwikkelde het Black Audio and Film Collective (BAFC) in Groot-Brittannië een indrukwekkend oeuvre tussen kunst en film, tussen galerij en cinema, tussen politiek en esthetiek. Stuk verenigt zes sleutelwerken in een tentoonstelling. Die moeten duidelijk maken waarom BAFC’s ideeën over representatie, ras en globalisering vandaag nog even relevant zijn. Na het Gentse Courtisane vorige maand is dit opnieuw een initiatief dat de reflectie over politieke film bovenaan de agenda plaatst.



Dit zijn de individuen achter het collectief: John Akomfrah, Lina Gopaul, Reece Auguiste, Edward George, Avril Johnson, Trevor Mathison, David Lawson. Hun biografieën leiden van Groot-Brittannië naar Ghana, Nigeria, Togo, Trinidad, Jamaica of de Dominicaanse Republiek. Ze studeerden allen (kunst, sociologie, psychologie) in Portsmouth toen ze hun eerste werk maakten: ‘Signs of Empire’ (1982). Ze keerden de titel van het boek van Roland Barthes om en kregen zo een werk dat vijftien jaar voor was op wat rond de eeuwwisseling naam gaat maken als de anti-globaliseringsbeweging.
‘Signs of Empire’ begon als een tape/slide installatie: een live mix van beelden en geluiden in Engelse clubs en galerijen. Vandaag vormt het met ‘Images of Nationality’ (1984) het tweeluik ‘Expeditions’, dat deze tentoonstelling opent. Hier gebeurt dat niet langer met de tapes en dia’s van weleer, maar wel als een videoprojectie op een wat groot uitgevallen scherm. De vorm van toen lijkt nochtans niet onbelangrijk. Het was een vorm van guerrillakunst die – by any means necessary – zou gerealiseerd worden (geen geld voor film? dan zetten we de dia’s zelf wel in beweging) en getoond (komt het publiek niet naar ons? dan trekken wij wel naar het publiek).
Wat het werk vandaag inlevert aan vorm, wint het aan inhoud. Dit is de perfecte introductie op het werk van BAFC. Het maakt meteen duidelijk waar het om gaat. Het gaat over de representatie van ras in een postkoloniaal Groot-Brittannië. Het gaat over de inzet en de betekenis van het archief om de actualiteit te lezen. Het gaat over manieren van verhalen vertellen en construeren. Over de rol van de esthetiek voor de politiek: hoe een publiek, een volk, een gemeenschap wordt gevormd; hoe het zichzelf vormt.

Documenta
De kiemen van deze tentoonstelling werden gelegd tijdens Documenta 11 in 2002. Curator Okwui Enwezor onderlijnde daarin de rol van het archief (het document, de documentaire) voor de actuele kunst. ‘Handsworth Songs’, de eerste film van BAFC uit 1986, moest dat mee illustreren. Het was daar dat de Britse kunstenaar en criticus Kodwo Eshun van de Otolith Group het idee kreeg voor een overzichtstentoonstelling met het collectief. Die opende in 2007 in Liverpool. Een deel daarvan staat vandaag in Stuk.
Eshun was in Leuven voor de opening van de tentoonstelling. Hij vertelde er over ‘Handsworth Songs’. Over de Thatcherjaren die als een schaduw – als een geest – over de film hangen, maar nooit gethematiseerd worden in het werk. Wat we wel zien, zijn beelden van de rellen uit 1985 in de gelijknamige wijk in Birmingham. De film toont de afstand tussen de gebeurtenissen en de productie van het beeld van die gebeurtenissen. Eshun detecteert niet minder dan 13 scènes in de film waarin de televisiecamera’s een hoofdrol spelen. Hij wijst op de manier waarop die camera’s de oorzaken van de rellen zoeken in de rellen zelf.
Dat is meteen de reden waarom Salman Rushdie kon opmerken dat de film alles toont, behalve de eigenlijke ‘Handsworth Songs’. We horen niets van de verhalen van de bewoners van de wijk, enkel de verhalen van de televisie. Dat zijn de verhalen die we al kennen van de media: wie zwart is, is slecht en/of slachtoffer.
Rushdie was niet de enige weldenkende Brit die kritiek gaf op de film. De film zelf is volgens Eshun een affront aan de heersende filmcultuur. BAFC demonstreert haar onvrede met de beelden en geluiden en met wat ze teweegbrengen. Geen tegeninformatie in deze film. Ook geen Brechtiaanse dialectiek. En ook geen materialistische filmexperimenten zoals andere Britse filmers die bedreven. De interesses van deze groep liggen elders. In hun bekommernis voor kleur bijvoorbeeld – Eshun wijst op de scène in ‘Handsworth Songs’ waarin de kleur van de deelnemers aan een televisiedebat verschuift van een technisch naar een raciaal naar een esthetisch probleem. Of ook in de manier waarop ze beelden reconstrueren als tableaus in ‘Seven Songs for Malcolm X’ (1993).

Datadief
Eshun noemt de praktijk van BAFC een vorm van ‘reverse engineering’. Het is een herlezen van de gebeurtenissen en van de principes van representatie. Beelden van de politieagenten op de hoeken van de straten thematiseren in ‘Handsworth Songs’ het wachten, of beter: de geladen verwachting, achter de gebeurtenissen. Met de representatie stelt deze film ook de media en uiteindelijk het medium van de documentaire zelf in vraag. ‘Handsworth Songs’ gaat niet meer over het recht om erbij te horen, maar wel over het recht er niet bij te horen. Het gaat over het recht om niet te passen in een beeld dat van elders komt.
Zo loopt BAFC niet enkel voor op wat Hal Foster rond de eeuwwisseling beschreef als de ‘archival turn’ in de kunst. De groep liep ook voor op een nieuwe traditie van video-essays. Zij inspireerden zich op het werk van Chris Marker: films als ‘Le fond de l’air est rouge’ uit 1977 of ‘Sans Soleil’ uit 1982. En ook daarin toont Kodwo Eshun zich een geestesverwant. De recente bijdrage van Eshun’s Otolith Group, geselecteerd voor de Turner Prize in 2010 bestond ondermeer uit een gecontextualiseerde (re)presentatie van Marker’s ‘L’heritage de la chouette’. En in elk van de films van de Otolith Group wordt – zoals bij Chris Marker en bij BAFC – vrolijk gesampled met het verleden én met de toekomst van het archief.
Als hij spreekt over ‘Last Angel of History’ (1995), het werk van BAFC waar hij zelf in figureert en research voor deed, heeft Eshun het over een ‘future anterior’: de toekomst ligt achter ons. In die film zoekt een ‘data thief’ naar de toekomst zoals ze was. Het is een zoektocht doorheen de afrofuturistische muziek van Sun Ra (jazz), Lee Scratch Perry (dub) en George Clinton (Funk). Het werk van elk van die muzikanten leidt van de zwarte diaspora, de ‘Black Atlantic’, naar het buitenaardse. Van het individu dat nergens thuishoort naar de alien. Van het narratief waarin niemand nog wil passen, naar sciencefiction.
De film vat het werk van BAFC samen als een samplepraktijk. Maar vreemd genoeg is het meest futuristische werk in deze tentoonstelling ook het meest gedateerde. Dit is de toekomst zoals ze was: in 1995. Lees deze tentoonstelling als een datadief in een nieuw archief. Ga en steel de toekomst zoals ze was tussen 1982 en 1997.

Black Audio Film Collective. Tot 22 mei in Stuk, Naamsestraat 96, Leuven. Wo-do, 14-21u; vr-zo, 14-18u. www.stuk.be