pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Spiegelwereld

Herinneringen aan cyberspace

Pieter Van Bogaert voor AS 163-164, juli-december 2002

 

 

In 1911 nam Marcel Proust een abonnement op de Parijse Théatrophone zodat hij, zonder zijn geliefde bed te verlaten, toch kon genieten van de opera. Zo werd hij een van de eerste regelmatige gebruikers van cyberspace, de kopie van de wereld die ons bereikt via de telefoon. Tusseninwereld, dichtbij en toch veraf. Niet echt, maar wel bijna. De negatieve ruimte vol antimaterie die altijd een hyperpersoonlijke ervaring is.

Zou Proust blij zijn geweest met de actuele mediakunsten? Zou hij het leuk vinden dat de resultaten onmiddellijk, zonder langs een vervelende uitgever of producent te gaan, in de digitale gemeenschap gezet worden via het internet – langs de telefoon aan huis geleverd? Misschien zou Proust niet houden van het ongegeneerd premature karakter van veel van dat werk. Of misschien houdt hij net wel van de hoeveelheid, de datastroom waarin men zich eindeloos kan verliezen. Je vindt letterlijk alles op het net; van onbenullige kladjes, tot heuse net-opera's. Soms moet je de dingen letterlijk nemen, soms niet; niemand weet wanneer. Maar vooral: het net is lekker knus de wereld ontdekken bij je thuis.

De telefoon is oude media en toch weer helemaal in. Alexander Graham Bell had moeten weten waar zijn uitvinding toe zou leiden. Miljoenen mensen zijn via de telefoon aangesloten op de wereld en krijgen langs daar een uiterst selectieve en persoonlijke ervaring van de gebeurtenissen. Toen in 1990 een kortsluiting veroorzaakt werd in een centrale van AT&T zorgden de daders voor een evenement zonder voorgaande. Ze sloten niet alleen duizenden mensen af van de wereld, ze maakten ook het begrip hacker op slag wereldwijd bekend.

Met de doorbraak van het internet zagen velen hun kans om hun eigen evenement te creëren via de telefoon, vanuit de slaapkamer. Hun eigen fifteen minutes of fame. Zo zorgde het wereldwijde web voor een steeds groter wordende stroom aan anti-evenementen. Netartiesten houden van uw computer, waarmee ze een zo intiem mogelijke relatie willen; liefst een wederzijdse. Net-art is in de eerste plaats wat zich bij je thuis afspeelt, in je computer.


Over kunst en andere subjectieve verhalen uit de laat twintigste eeuw.

 

GoTo

 

“GoTo” is de naam van de multimediarubriek in een Brits muziekblad. Als ik “GoTo” (is het één of twee woorden?) in een internetadres zie, moet ik denken aan de film van Walerian Borowczyk. Ik ben er nooit geweest, ik heb ook de film nooit gezien, maar de naam – voluit is het Goto, l'île de l'amour – roept een weemoedig verlangen op. Goto is een geïsoleerd eiland, waar de geschiedenis stopte in 1887. Het wordt geleid door een sadistische koning. Er is geen kunst, geen wetenschap, geen vooruitgang; alleen badende vrouwen, gefilmd doorheen licht versluierende gordijnen (die heb ik wel gezien op publiciteitsfoto's uit de film). Telkens we “GoTo” in een internetadres zien is dat een saluut aan dit onbereikbare en goed verborgen eiland, aan die mythische plaats waarop de tijd geen vat heeft. Hoe meer je erin gelooft, des te meer het op de echte wereld gaat lijken. Het is een projectie – geleid door dezelfde tirannen die ook de echte wereld leiden. Goto werd gedraaid in de jaren zestig, lang voor er sprake was van het internet, maar het verhaal en de Poolse regisseur in Frankrijk kondigt de globale delocalisatie aan die gaat komen, en het fata morgana dat erbij hoort.

Zo lokt het internet, al tien jaar lang. “Where do you want to go today?” vroeg King Gates – en zijn explorer toont de weg. Goto is nog slechts een muisklik van hier verwijderd. De verlokkingen van de media – ik ben ermee opgegroeid. Vroeger, toen ik klein was, had je progressieve mensen die hun televisie naar de kelder verbanden. Nog vroeger, toen ik nog niet geboren was, had je angstige mensen die dachten dat je rimpels kreeg van te geconcentreerd naar de radio te luisteren. Zo proberen mensen zich al decennia lang te beschermen tegen de media, de moderne sirenes.

(Dit verhaal dreigt nu al uit zijn context te slingeren: vroeger, als kind, dronk ik limonade die “Sirene” heette – mierzoet en plakkerig spul. En ook het boekje dat ik enkele jaren geleden kocht om me wegwijs te maken op het internet komt van de mij verder onbekende Nederlandse uitgeverij Sirene – het werd geschreven door Bartjens, een wiskundeleraar met een eigen lemma in het woordenboek: “Bartjens, in de zegsw. volgens Bartjens, volgens de eenvoudigste beginselen der rekenkunde; zo nauwkeurig berekend als mogelijk is (Bartjens was een schoolmeester uit de 17 de eeuw (1569-1638), die een beroemd cijferboek geschreven heeft)”.

Nee maar, moet ik dan alles geloven wat men me vertelt over het internet?)

Toch is er een verschil tussen mijn computer en de oude media. In tegenstelling tot radio en televisie verleent mijn computer een sérieux aan mijn interactieve bezigheden. Hij maakt het werk tot een spel en het spel tot een ernstig tijdverdrijf. Nee, ik ben niet verslaafd. Het internet is niet schadelijk voor mijn gezondheid. Mijn computer is een uitstekende oefening voor mijn intellectuele conditie.

 

Sluit je aan!

 

GoTo impliceert een doel. De eerste keer dat ik het net zelf mag uittesten (was het de opening van een hippe cybertent of een receptie tijdens een videofestival?) weet ik niet waar naar toe. Een zielige vaststelling. De beperking van mijn begrensde wereld. Daar sta ik dan op de drempel van cyberspace met een hapje in de ene en een glas schuimwijn in de andere hand. Wat heeft cyberspace te bieden dat ik in real space niet vind? Mijn vrienden en kennissen bevonden zich allemaal rond mij. Maar in cyberspace, daar kende ik niemand – het grote vacuüm.

Het was in 1993, in kraak- en hippieparadijs Amsterdam – ik herinner het alsof het gisteren was – dat ik voor het eerst een live-demonstratie zag van het internet. Kijken mocht, aanraken niet. Jongens van xs4all chatten via de computer. Vrienden op afstand, met een boodschap. Het was dus toch mogelijk, het platonische cyberleven. Het internet zat vol belofte. “Sluit je aan!”, zongen wij vrolijk in de auto terug naar België.

Het duurde niet lang meer of we lazen in de krant de eerste berichten over jonggehuwden die elkaar leerden kennen via het internet. Het was in 1996, in de krant, dat ik voor het eerst las over Jennifer, het webcammeisje, de voorloper van Big Brother en de digitale erfgename van Andy Warhol. Warhol is de eerste die, lang voor het internet, de banaliteit van het dagelijkse leven durft te tonen in films en seriegrafieën. Jennicam leeft op en voor het internet. Vandaag staan er massa's dagboeken on line in de vorm van webcams, blogs (kort voor weblog) en sinds kort ook vogs (videolog). Maar zelden halen die het banale niveau van de webcam van weleer. Blogs en vogs zijn bestudeerd clean. Er wordt zorgvuldig geselecteerd wat wel en wat niet op de site komt en ook de links worden zorgvuldig gekozen. De webcams zijn nog steeds old school en de links leiden in de meeste gevallen naar porno.

Zo ging dat in de begindagen van het net. Of het nu gaat om ordinaire webcams of om bestudeerde blogs, altijd zoeken bezoekers van webdagboeken naar een of andere vorm van guilty pleasures … Herkenning en gelijkgezinden aan gene zijde van cyberspace. Deze gebruikers zoeken authenticiteit, geen gladde publiciteit, maar wel zuivere natuurlijkheid. De naakte waarheid.

***

Het voornaamste doel van de eerste surfers was seks. Internet heeft alles met verlangen te maken, te beginnen bij het blauwe scherm wanneer je de computer aanzet. Het blauw van de melancholie, van de depressie, van de blue key , waarin je alles kan projecteren; van de blue movie , de pornofilm.

Wie ooit een pornosite bezocht en de ontklede lijven al lang vergeten is, herinnert zich ongetwijfeld nog de ongewenst intimiderende pop ups die blijven komen wanneer je weg wil. Een overrompeling aan uitnodigingen. Wie ooit een pornosite bezocht, weet dat de hyperlink de essentie is van het internet. Steeds dezelfde vraag: “heb je dit al gezien?” of “Als je dít goed vindt, zal je zeker dààrvan houden.” Ik slaag er niet in me te concentreren op het internet. Op gelijk welke pagina word ik gevraagd door te linken naar elders. Het internet is de ultieme verleider; voor elk wat wils – een doorverwijsmedium met een schaamteloos flexibele persoonlijkheid. Eens aangesloten, laat het net je niet meer los.

 

Dataïsme

 

Je moet klikken om je computer tot leven te brengen. Wachten tot je modem inbelt en aansluiting maakt met je server. Luisteren naar cyberspace wordt een vast openingsritueel. En dan zo snel en efficiënt mogelijk handelen om de telefoonrekening te sparen.

Surfen impliceert vrijheid en al wat ik zie in mijn opgejaagd bestaan zijn vensters, kaders in kaders, ongevraagde pop ups, interfaces die leiden naar andere interfaces – niets dan beperkingen die eigenlijk dienen om het leven eenvoudiger te maken. En geen weg terug uit deze absurde situatie. Onmogelijk te zien wat er achter de kaders verborgen zit. Browsers tonen geen diepte.

In 1997, tijdens documenta X, maakt de kunstwereld kennis met het internet. Jodi laat kunstliefhebbers verweesd achter, overgeleverd aan de grillen van de computer en geconfronteerd met hun beperkingen tegenover de anders zo gewillige machine. Codes en frames bewegen zich ongecontroleerd over het scherm. Zo ziet cyberspace eruit en daar wil ik naartoe. Jodi laat iets zien van wat er achter de interfaces op mijn bureaublad verborgen zit.

Jodi is de vormgegeven vrees van het internet. Op de computers in de Documentahalle konden we er nog om lachen, maar eens het Nederlands-Belgische duo zich op de eigen harde schijf nestelt, slaat de angst om in paniek. Jodi.org is als een oncontroleerbaar virus. Werk dat je meesleurt naar de eindeloze diepten van cyberspace – niet geschikt voor technofoben. Jodi kondigt de machinekunst aan die later net art zal gaan heten. Een nieuwe kunstvorm waarin op een betekenisloze en absurde manier wordt omgesprongen met de codes van het internet en van de taal. Communicatiemediumkunst.

Net art geeft een gezicht aan cyberspace aan de hand van haar data. Het ware gelaat van het internet is te herleiden tot een simpele wiskundige formule: data + porno = datapornografie. Net art toont wat er gebeurt (of kan gebeuren) in je pc. Het toont data waar we amper tegen opgewassen zijn – tenzij via de gevreesde ctrl+alt+del-combinatie. Net art kent geen respect. Het maakt geheime en beschermde plekjes van het internet voor miljoenen mensen toegankelijk.

Letterlijk: op de computer van de Italiaanse hackers 0100101110101101.org kan de hele wereld hun volledige e-mailcorrespondentie lezen en staan remixen en kopies van integrale andere sites (designersite hell.com) of indexpagina's die de geheimen tonen van collega's (Jodi). Alexei Shulgin verzamelt en toont desktops van collega's en vrienden en gaf als eerste ook iets tastbaars aan cyberspace toen hij zijn 386 DX-processor op het podium etaleerde om covers te brengen van The Beach Boys tot Nirvana. Olia Lialina opent de eerste net art -galerij (op het net, hoewel de enige transactie tot nu toe wel in de echte wereld plaatsvond – zoals uitvoerig gedocumenteerd op de site). Heath Bunting maakt de wereld toegankelijk via het web (zoals in de London Tourist Guide die hij presenteerde tijdens dX) en het web via de wereld (door zijn adres op de muren en het asfalt te chalken). De Sloveense ASCII-kunstenaar Vuk Cosic verhuisde net voor sluitingstijd de integrale dX-website naar zijn eigen server en werd zo de auteur van de eerste grote internetkunstroof.

 

Mineur

 

Vanaf nu is cyberspace overal. Net art is de eerste kunstbeweging sinds de oorlog waarin Oost en West elkaar ontmoetten. Olia, Alexei, Vuk, Jodi, Heath en de anderen communiceerden met elkaar in een elke dag opnieuw uitgevonden taal. Zoals in het dadaïsme worden woorden, letters en codes herleid tot hun zuivere essentie: klanken en vormen. Een taalgebruik dat een voorlopig hoogtepunt bereikt in het werk van de Australische cyberpoëte Mez , de Amerikaanse multipele persoonlijkheid Alan Sondheim en de mysterieuze netentiteit Antiorp aka Netochka Nezvanova aka NN, de meesters van de idiosyncratische woordenstroom.

Zo werd het internet het eerste massamedium met marginale producenten. Wat Deleuze en Guattari in Kafka bedoelen als ze de Duitse taal van de Praagse auteur een “littérature mineure” noemen: de middelen van de dominante cultuur gebruiken om er je eigen ding mee te doen. De wereld bij je thuis naar je hand zetten. De ultieme metamorfose realiseren die ons maakt tot wie we zelf willen zijn. In het geval van net art is dat door de stap te zetten van consument naar producent. Zo worden popmedia ontpoppende media – emancipatorische media.

Net art is een heroïsche kunst. Deze artiesten zijn dikwijls ook activisten die tonen dat we, van zodra we aangesloten zijn, een stuk van onszelf weggeven. Er is niet zoiets als onschuldig surfen. Niets is vrijblijvend in cyberspace en alles laat sporen na. Zoals hackers in de jaren tachtig snippers informatie haalden uit de vuilbakken van bedrijven en individuen, leven net-artiesten in de jaren negentig van eender wat ze vinden in de digitale ruimte. “Trashing” heet dat in Bruce Sterlings document over de heroïsche avant-web periode The Hacker Crackdown .

Trashing, maar dan digitaal, dat is wat Mark Napier doet in Shredder of Digital Landfill . De voormalige Amerikaanse schilder roept gebruikers op om hem data te bezorgen die hij vakkundig verknipt of recycleert tot digitale kunst. Ook in een recent werk als Net Flag blijft Napier recycleren – stukken van bestaande vlaggen deze keer, om er nieuwe vlaggen voor virtuele naties mee te maken. Napier behoort al tot een nieuwe generatie webkunstenaars. Niet de recyclage is de essentie van zijn werk, maar wel het kopiëren. Want zelfs als je iets weggooit, maak je een kopie. Weggooien is verplaatsen, veranderen van locatie en dus van context. Weggooien is vermenigvuldigen. Napier is een vuilbak met een niet te stillen honger.

 

Datavreters

 

De uitbreiding van het internet vergroot de honger naar data. Mijn nieuwe adsl-aansluiting is geruisloos, snel en krachtig. Het geluid van mijn modem die inbelt, heeft plaats gemaakt voor gestroomlijnde beelden en geluiden via scherm en luidsprekers van mijn computer.

Meer bandbreedte doet Jodi driedimensioneel gaan en in untitled game Quake onder handen nemen. In plaats van gewelddadige monsters en obscene kreten stromen nu ambiënte beelden en geluiden door mijn computer. Een grotere datastroom maakt dat Olia Lialina naast haar virtuele galerij een heus net-museum kan creëren, waarin verschillende collega's haar klassieke primitieve internetfilm My Boyfriend Came Back From The War herwerken in geavanceerde bytes verslindende versies; een stuk netgeschiedenis op zich, van de eerste originele html-pagina's tot een geupdate flashversie. Heath Bunting daarentegen vergroot de afstand tot cyberspace door zijn BorderXing Guide slechts beschikbaar te maken via een beperkt aantal computers. De gebruiker moet zich lijfelijk verplaatsen in de ruimte om on line te gaan.

Het vergroten van de capaciteit maakt het net meer dan ooit tot een gigantische kopieermachine. De kopie steekt de hyperlink als essentie van cyberspace naar de kroon. Menig gebruiker surft nog nauwelijks, maar zoekt alles op de favoriete peer-to-peer site – gisteren bij Napster, vandaag bij KaZaa. Alles wat je doet op het net is kopiëren. Godard noemde film op tv ooit een reproductie (een anti-evenement). In cyberspace is de kopie de eigenlijke productie (het enige evenement). Voor Olia Lialina is de kopie, net als de videoversie van haar werk, slechts één van de vele versies en blijft de URL, het adres, de essentie van het origineel dat voortdurend evolueert.

Net art leeft. Het zit in een voortdurende verjongingskuur. De kopieën die gebruikers op hun computers downloaden, worden telkens ververst, vernieuwd en overschreven. Ruw materiaal (data, codes) wordt ongepolijst aangereikt en overgeleverd aan de machine van de gebruikers. Hoe bekijk je zo een werk? Elke gebruiker heeft een andere ervaring, naargelang de snelheid van de aansluiting, de computer, het scherm, de cultuur, de omgeving… De wereld bij u thuis, dat is het ultieme anti-event. Dan is het aan de consument om een eigen evenement te creëren. Dan ziet iedereen iets anders. Het ene beeld met een ander geluid. De ene site naast de andere. De vorige pc met een trage modem en versleten scherm. De huidige pc en de volgende.

De digitale striptease is gesofisticeerder geworden. De regressie naar de code verfijnd. Een voorlopig hoogtepunt komt uit de post-9/11-golf, waarin de New Yorkse “Radical Software Group” (RSG) haar Carnivore lanceerde. “What does data look like?” vroeg de groep rond Alex Galloway zich af. De voorman van net art -site rhizome.org verzamelde enkele gerenommeerde net-artiesten rond zich en liet ze aan de slag gaan met een stuk software, geïnspireerd op het programma met dezelfde naam waar de FBI zich van bedient om het internetverkeer te volgen. Deze dataverslinder is het gedroomde instrument om op verschillende manieren (want met verschillende artiesten en op verschillende computers in verschillende netwerken) een beeld te maken van cyberspace. De zevenentwintigjarige Galloway ziet zijn Carnivore “as a dominatrix for the digital generation. It's a punishment that you will fully participate in. And you realize at the end of the day that because you control how it's done, it's a little better than being afraid of it.” Een natte droom voor dataïsten.

 

Demon

 

Er is geen twijfel meer mogelijk. Cyberspace bestaat. Het moet bestaan. Als ik diep in mijn computer kijk, zie ik chips, batterijen, microprocessoren, schroeven… alles aangesloten op de globale ondergrond; het gedecentraliseerd netwerk van kabels, bits en bytes die me voorzien van harde data. Cyberspace bestaat, ik heb haar instructies gezien op de muren in de stad, achtergelaten door de muursurfers, de agenten van het draadloze bovengrondse bestaan.

Cyberspace bestaat, want soms krijg ik een mailtje van de demon aan de andere kant. Het komt als een waarschuwing, telkens ik een verkeerde handeling uitvoer. Maar als ik een mailtje terugstuur naar mijn mailer-daemon, krijg ik nooit een bericht terug. Cyberspace bestaat, maar het handelt autonoom. Cyberspace is de postmoderne wereldgeest, aangekondigd door Marx en Engels in hun Duitse ideologie . Het is de nieuwe kosmische ervaring. Het is het onhoudbare vervolg op de collectieve intelligentie van de jaren zestig en zeventig, toen popgroepen als The Grateful Dead de wereld bekeerden met de verspreiding van hun muziek. De gift economy , de potlatch, de peer-to-peer netwerken, nieuwe kapitalisten en pastoralisten: het zijn de per definitie immateriële, oneindig vermenigvuldigbare en reproduceerbare producten van het net.

De overvloed aan communicatie, het verloren gaan van de informatie in de woorden- en beeldenstroom maakt van cyberspace de anti-evenementiële plaats bij uitstek. Het wereldwijde web is een kleverige brij – de plaats waar alles samenkomt, waar alle grenzen worden gesloopt. Het is een afkooksel van de wereld. Of liever, niet van deze wereld. Dit is het eerste waarlijk onaardse medium. Onnaturaliseerbaar, ondomesticeerbaar, onterritorialiseerbaar; een spiegelwereld.

Nam June Paik, de grootvader van de net-artiesten, reduceerde de wereld tot een scherm; wij moeten het scherm weer vertalen in een wereld. De realiteit terugvinden achter de virtuele ruimte die rond zijn metafoor is opgetrokken – the information highway .

 

 

 

 

Netografie:

Jennifer Ringley www.jennicam.org

Jodi www. j odi.org

Olia Lialina http://will.teleportacia.org

Heath Bunting www.irational.org/heath

Alexei Shulgin www.easylife.org

Vuk Cosic (inclusief de dX-website) www.ljudmila.org/~vuk

0100101110101101.org www.0100101110101101.org

Netochka Nezvanova www.m9ndfukc.com

Alan Sondheim www.anu.edu.au/english/internet_txt

Mez www.hotkey.net.au/~netwurker

Eryk Salvaggio www.salsabomb.com

Mark Napier www.potatoland.org

Carnivore http://rhizome.org/carnivore