pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Institutional attitudes
Institutions with an attitude
Instituut zkt. attitude

voor <H>art, 2010

 



Het ‘Comité van Roosendaal’ is een samenwerkingsverband van een twaalftal instellingen voor hedendaagse kunst in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland. Met ‘Institutional Attitudes’, de conferentie in de marge van ‘Art Brussels’, wil het Comité vorm geven aan haar overtuiging dat de kunstinstelling een belangrijke stem heeft in de maatschappij. De centrale vraag is samen te vatten als: hoe kan de kunstinstelling inspelen op de gewijzigde maatschappelijke verhoudingen in een periode van economische en ecologische onzekerheid?
‘Institutional Attitudes’ vertrekt van de instelling. Noties als wat het betekent te werken in een maatschappij, op een gemeenschappelijke basis, met een publieke opdracht worden geëvalueerd vanuit de kunst en haar instellingen. Dit is geen bijeenkomst van politici (hoewel die wel betrokken werden voor en achter de schermen), en ook niet van burgers (hoewel we dat uiteraard allemaal zijn), maar in de eerste plaats van individuen die professioneel actief zijn in de instellingen van de kunst. Deze bijeenkomst wil zich niet zozeer buigen over de toestand van de maatschappij, de gemeenschap of het publiek, maar wel over de manier waarop de instelling zich daarin kan ontwikkelen.
Dat maakt het voor institutionele buitenstaanders – zoals ondergetekende – bijzonder moeilijk om de urgentie van de bijeenkomst te vatten. Tenzij dan de noodzaak tot zelflegitimering van deze vrij gesloten en toch zeer publieke instellingen. Ik was erbij, twee dagen lang. In plaats van met antwoorden, keerde ik terug met nog meer vragen over het Comité van Roosendaal, haar instellingen en haar attitude(s).

Comité van waar?
Van Roosendaal dus. Niet van Amsterdam, stad van De Appel en van de voorbereidende vergaderingen. Niet van Rotterdam, en van Witte de With, tweede initiatiefnemer van deze conferentie. En ook niet van Antwerpen, en van het M HKA – de derde organiserende partner. Of van Brussel, Charleroi, Luxemburg, Bonn, Keulen, Düsseldorf of Utrecht, waar al de andere aangesloten instellingen zitten. Maar wel van Roosendaal; symbolische grensstad zonder grote kunstinstelling – centraal, maar tegelijk marginaal en provinciaal. Het is de niet-plaats die de plaatsen van de verschillende instellingen verbindt. Een plaats om zich buiten de plaats te zetten en na te denken over de plaats.
Holle retoriek? Zo was er nog wel meer te horen tijdens deze conferentie met haar fragiele theoretische basis en conflicterende ego’s. Vaagweg verwees men ook nog naar een historische boerenopstand tegen de Habsburgers in Roosendaal. Wil dit comité in opstand komen? Zo ja, tegen wie? Tegen de maatschappij? De gemeenschap? De overheid? Het publiek? Zichzelf?
Het is ooit anders geweest, toen kunstenaars (en publiek) effectief in opstand kwamen tegen de instellingen, ook tegen die voor de kunst. Ik denk aan Broodthaers die zichzelf benoemde tot directeur van zijn eigen Musée d’Art Moderne – Département des Aigles. Of aan Daniel Buren die de galerij sloot voor de duur van zijn tentoonstelling of ze net opentrok door zijn kunst op de straat te laten doorlopen. Aan Alan Kaprow voor wie, in gesprek met Robert Smithson, de musea mausolea waren, bewaarhuizen voor ingeblikt leven, een geësthetiseerde illustratie van het leven. Of aan Andrea Fraser die wees op de manier waarop Daniel Buren eerst – langs de achterdeur, want door zijn collega kunstenaars – uit het Guggenheim geweerd werd om er enkele decennia later – langs de voordeur, want door de institutionele curators – weer binnengehaald te worden. Of aan Art & Language die in 1975 de term ‘institutional critique’ lanceerde in hun tijdschrift ‘The Fox’.
Die kunstenaars waren jammer genoeg de grote afwezigen tijdens deze conferentie. Mijn voorbeelden komen uit het zopas bij MIT verschenen boek ‘Institutional critique. An anthology of artist’s writings’. Het biedt een bijzonder interessant overzicht (en kan zelf gelezen worden als een voorbeeld) van hoe die kritiek werd geïnstitutionaliseerd. De critici van vroeger zijn graag geziene gasten in de instellingen van vandaag. Tijdens deze conferentie was ik getuige van de volgende stap: de institutionalisering van de instellingen.

Comité van wie?
De vraag is natuurlijk niet “comité van waar?”. Roosendaal is – net als Amsterdam, Rotterdam, Antwerpen, Brussel en al die andere plaatsen met instellingen voor hedendaagse kunst – slechts een rookgordijn. Daarachter schuilen figuren. Dat zijn de directeurs, die ook de eigenlijke initiatiefnemers zijn van dit Comité. Hoe nauw die directeurs (en enkele van hun medewerkers) verbonden zijn aan de instellingen bleek uit de performance waarmee de Poolse kunstenaar Miroslaw Balka de conferentie opent. In zijn opsomming die las als een CV is Saskia Bos de verpersoonlijking van De Appel en niet de huidige directrice en mede-initiatiefneemster van deze conferentie Ann Demeester; Jan Debbaut is het gezicht van het Van Abbemuseum en passeert zo Charles Esche, op de eerste rij in de zaal; Bart De Baere van M HKA en op de stoel naast Esche, stond met Jan Hoet en Eva Wittockx nog steeds voor het SMAK.
De performance van Balka zei niet alleen veel over de manier waarop de plaats vanwaar u kijkt de betekenis verandert (Balka – één van de slachtoffers van de vulkanische stofwolk die het Europese vliegverkeer verstoorde – brengt de performance via skype van achter zijn bureau thuis), maar meer nog over het moment, de persoonlijke ervaring van de instelling. Zijn pertinente intro zegt niet enkel veel over de invulling van de instellingen door de personen die er werken, maar nog meer over de mobiliteit binnen die instellingen, waar directeurs de eerste helft van hun ambtstermijn zich vol inzet storten op hun nieuwe werkplek en de tweede helft van die termijn met evenveel inzet zoeken naar de volgende nieuwe werkplek. De slechts deels ironische karikatuur is van Pascal Gielen.
Het tweede deel van Balka’s performance zakt jammer genoeg als een souflé ineen. Met een gloeilamp, een stukje draad en een stekker demonstreert hij dat het probleem van de instellingen helemaal geen probleem is. Eerder dan een brandend peertje, had ik hier toch minstens wat kortsluiting verwacht. Iets meer dynamiek om de zaak wat open te schudden. Herinnert iemand zich nog de kunstenaars die zich van oude en nieuwe media – van webcams tot stukjes draad – bedienden om op een efficiënte manier inzicht en weerwerk te bieden in en voor de instellingen van de kunst? We hoeven niet zover te zoeken naar Critical Art Ensemble, Yes Men, ®™ark, Bureau d’Etudes of andere tactische gezelschappen als De Geuzen die momenteel exposeren in Stuk. Het is bovendien geen toeval dat het bij deze voorbeelden van initiatieven, die ontstonden tegen het einde van de jaren negentig, telkens gaat om groepen. Mini-instellingen als het ware, als efficiënt en kritisch alternatief voor de grote instellingen.

Comité voor wat?
Niet dat er geen interessante (lees: dissidente) stemmen te horen waren op deze conferentie. Simon Sheikh – criticus en curator die zich liever “afhankelijk” (dependent) laat noemen, sinds hij onafhankelijk (independent) is gaan werken; hoe werk je vandaag eigenlijk nog los van de instellingen? – doet een dringende oproep om af te stappen van het canon. Zijn oproep is om de carrousel te stoppen van kunstenaars en auteurs en curatoren en directeurs en critici en – niet te vergeten – publiek die zich verplaatsen van de ene grote instelling naar de andere. Pascal Gielen wijst op de manier waarop marketing en management het halen van het engagement binnen de instellingen.
Misschien had Balka toch gelijk en is er helemaal geen probleem bij de bestaande instellingen. Dat probleem kunnen we beter gaan zoeken bij de instellingen die nog niet bestaan. De instellingen van de kunstenaars, de critici, het publiek – van al die groepen die in grote getale afwezig waren in deze uitverkochte zaal, omdat ze geen 25 euro konden (of wilden) betalen als toegangsprijs – het is Dirk Snauwaert van Wiels die fijntjes het probleem van dure tickets aankaart.
Wat volgens mij nodig is, is niet een instelling van de instellingen (een Comité van Roosendaal), maar een instelling van de multitude. Het uitgangspunt is helemaal fout: niet denken vanuit de instelling, maar wel vanuit de kunst, de kritiek, het publiek, de kunstenaar. Allemaal samen vormen zij de maatschappij, of wat het Comité van Roosendaal met de Italiaanse filosoof Paolo Virno “the commons” noemt, “a commonwealth”. Denken vanuit de instelling veegt elke urgentie van de tafel. Denken vanuit de urgentie moet zorgen voor een nieuw soort instelling, voor een nieuwe attitude.
We zijn nog ver verwijderd van die deling van het gemeenschappelijke in wat het Comité van Roosendaal, met – opnieuw – Virno, omschrijft als “a galaxy of foundations, a network of institutions”. Sommigen verlangden naar een instelling als het ultieme buiten, een plaats voor leegte en voor onbegrip, die indien mogelijk zelfs geen rekening hoeft te houden met een publiek, tenzij een zeer rekbaar publiek dat zelfs niet meer naar het museum hoeft te komen. Ik parafraseer – niet zonder verbijstering – M HKA-curator Dieter Roelstraete.
Deze bijeenkomst maakte duidelijk dat een wijziging van de instituten en de institutionele houding enkel en alleen kan komen van een internalisering en dus een opheffen van die grens met welk buiten dan ook. Manu Claeys van stRaten-generaal verwijst naar Benjamin Verdonck die op dit moment in het M HKA het werk presenteert dat hij een jaar lang realiseerde in de straten van de stad. Een zeer relevante opmerking van Claeys, de activist die zich inzet tegen de uitbreiding van de Antwerpse ring en de bouw van de Lange Wapperbrug en dus tegen het primaat van de steeds groeiende mobiliteit achter het neoliberale kapitalisme, dat voor een groot deel ook dit netwerk van instellingen stuurt.
Het is tijd om de institutionele macht om te buigen in een verdeling van de macht. Om de mobiliteit binnen de instituten om te leiden naar een mobiliteit errond. Om van het canon over te stappen naar aandacht voor de differentie. Om strategische plannen te openen voor tactische interventies. En vooral: om de groeiende privatisering van het beleid – dat nu voor een groot deel geblokkeerd wordt door de instellingen die een steeds groter deel van de steeds kleinere middelen opeisen – terug te sturen naar de beleidsmakers die nieuwe opportuniteiten moeten creëren voor kunstenaars, critici, “onafhankelijke” curatoren en publiek. Noem het nieuwe instituten zo u wil, maar dan wel instituten met een andere maat, met een andere duur, met een andere openheid; instituten met een andere attitude.

Meer over ‘Institutional Attitudes’ en over Comité van Roosendaal op www.comitevanroosendaal.eu
Meer historische context in: Alexander Alberro & Blake Stimson (eds.). Institutional critique – an anthology of artists’ writings. MIT, 2009. ISBN 978-0-262-01316-1

Lees ook het antwoord van Bart De Baere in h-art

en mijn antwoord op het zijne hier