pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Le grand retour
Terugkijken (en een beetje vooruit)


voor Grand Tour 2020 - Meetings Across Europe on Art and Ecology, 2018

(read it in English)





Een brief (pretext)
De ochtend van 22 juni 2018 schuift de postbode een brief in mijn bus. De brief zit in een omslag met een postzegel, mijn naam en adres handgeschreven op de voorkant en een afzender handgeschreven op de achterkant. De brief zelf is ook met de hand geschreven. Het is een mooie brief, fijn geschreven en goed geschikt. Ik ben geraakt. Ontroerd: mijn laatste handgeschreven brief kwam er, denk ik, heel lang geleden – ik spreek over decennia, een ander tijdperk – in een zeg maar meer romantische context. Ik ben verrast, door de daad en door de inhoud.
Het is een brief over dit boek dat er nog niet is. Hij komt van Maaike en Fairuz. Ze zijn pas verhuisd, een tiental kilometer buiten het centrum van de stad. Ze hebben al één keer water moeten scheppen in de garage en weten nu wat klimaatverandering concreet betekent. Zij verzorgen de vormgeving van dit boek en zoeken uit hoe dat zo ecologisch mogelijk kan. Zij vonden een drukker die klimaatneutraal werkt, maar dat gebeurt vooral door bewust met energie om te gaan en langs daar verspilling in het drukwerk te compenseren. Maaike en Fairuz willen van het boek zelf een ecologisch verantwoord object maken, niet van de drukkerij.
In de brief staan al enkele data. Uit één drukvel komen 64 pagina’s, zonder verlies. 64 pagina’s zijn vier katernen. Vegetale inkten lijken milieubewustst. Er bestaat ook software, inksave, die in de pre-pressfase de inktbezetting zo laag mogelijk houdt. Het papier met de kleinste ecologische voetafdruk is ongestreken papier. Dat is het minst behandeld. Er is nogal wat discussie over zin en onzin van FSC-labels. Maar het goede nieuws is: hoe meer papier hoe beter! Het papier garandeert bossen (hier citeren ze die klimaatneutrale drukker). Het is het meest gerecycleerde product: 70% komt opnieuw in omloop terwijl van de overige 30% een groot deel gewoon in omloop blijft. Daarom schrijven ze ook per brief. Wanneer ik die nog eens wil lezen, zoals nu terwijl ik deze inleiding schrijf, kost dat de aarde niets. Mijn computer, mijn scherm, de server langs waar ik de mails binnenhaal, verbruiken wel veel energie. Daarom: LEVE PAPIER.

Ik hou deze brief nog even bij. Ik ben nog niet klaar met die brief. Zo een brief, dat is iets zeer persoonlijk. Zoals dit boek eigenlijk. Aan het einde van dit boek staan ook twee brieven die ik elektronisch, via de server van wordpress.com, bezorg bij twee kunstenaars. Daar wordt dit boek nog iets persoonlijker. Dit boek dat overigens is gestart als een dagboek – een bij uitstek private vorm van schrijven. Of als een logboek eventueel – een vorm van schrijven voor de ingewijden. Het begint niet toevallig als een weblog: een reisverslag in quasi real time om de partners en de kunstenaars betrokken bij dit project de mogelijkheid te bieden de gebeurtenissen te volgen. De blog laat hen toe te anticiperen en bij te sturen waar nodig.
Een handgeschreven brief, dat is niet alleen persoonlijk, het zet me ook terug in de tijd. Ik kom uit een tijd waarin alles op papier gebeurde. Mijn professionele carrière begint met een burgerdienst in het archief van een filmclub waar ik de boeken en tijdschriften catalogeer op met de hand geschreven fiches. Dringende zaken werden afgehandeld langs de telefoon. Minder dringende via de post. Mijn eerste facturen schreef ik met de hand op gestencild briefpapier van de club. Er was geen computer (die kwam er pas aan het begin van de jaren negentig), geen fax (eind jaren tachtig) en zeker geen internet (eind jaren negentig. We deden het zo omdat het kon en omdat het moest. Deze brief past in iets dat tegen het eind van dit boek (in de twee brieven) een naam krijgt: progress in reverse. Het past in onze tijd, vol nostalgie.

Enkele dagen terug kom ik voorbij een hippe etalage met de woorden Le grand retour, boven een sexy retrosportoutfitje. En ik denk, Le grand retour: misschien is dat wel een goede titel voor dit nawoord dat terugblikt op de gebeurtenissen in dit boek. Maar progress in reverse (of Le grand retour) kan ook passen in een vorm van autokritiek, een maatregel tegen global warming die begint bij jezelf (en ik bedoel dan natuurlijk niet je kleden in een klein shortje met bijpassend hemdje – hoewel ook dat kan helpen). Soms lijkt het beter om de strijd met de klimaatopwarming aan te gaan door gewoon dingen niet te doen. Geen vlees eten bijvoorbeeld. Of niet met de auto rijden. Geen vliegtuig te nemen. Of gewoon niet op reis te gaan (dat besef ik dan na negen reizen, terwijl ik al volop uitkijk naar de laatste van de tien reizen). Of: geen computer te gebruiken, geen internet, geen servers, geen GPS, geen smartphone. Is dat de toekomst van de wereld na de klimaatcatastrofe?
Voorlopig niet. Voorlopig blijft alles nog bij het oude en leren we beter eerst te leven met wat er is, voor we komen aandraven met oplossingen die telkens zorgen voor nieuwe problemen. Eerst een staat van de wereld opmaken en dan de beste weg zoeken naar een mogelijke oplossing. Maaike en Fairuz doen het met het ontwerp van dit boek. Net zoals de kunstenaars die ik ontmoet en die elk op hun manier kijken naar de wereld en hoe ermee om te gaan. Ze vertrekken daarbij van alledaagse ervaringen en doen ook graag een beroep op de wetenschap voor data en manieren om die data te verwerken. Ik doe het ook tijdens deze Grand Tour waarin ik niet enkel leer van de kunstenaars, van hun werk, maar ook van de wetenschap en de ideeën waarmee zij werken.

Een mail (subtext)
Zo begint dit boek, dit project: in de wereld waarin we leven. Een jaar voor die brief krijg ik een mail: van Ilse. Ilse is de coördinator van Imagine 2020 in Brussel. Of ik een voorstel wil doen voor een documentatieproject rond Art, ecology and possible futures. Of ik daarvoor tien kunstenaars wil opzoeken, geselecteerd door de tien partners van Imagine 2020 in de steden waar ze wonen en werken. Of ik die kunstenaars wil interviewen over hun artistiek-ecologisch burgerschap. De werktitel die ze voorstelt in de mail is Vita Artistica, geïnspireerd door Hannah Arendts Vita Activa, een verwijzing naar de co-existentie van kunst en politiek engagement. Imagine 2020, dat leer ik ook uit die mail, staat voor de creatie van bewustmaking, van het verbeelden en van het bestuderen van prototypes van mogelijke toekomsten. Of ik dat wil doen.
Op het moment van de oproep leg ik met een groep studenten de laatste hand aan een ander documentatieproject, een ander boek, over mode, waarin thema’s als ecologie, duurzaamheid, manieren van produceren, kapitalisme, (post-)kolonialisme, globalisering en uiteindelijk global warming een belangrijke rol spelen. Dus ja, de problematiek is niet helemaal vreemd. Ondertussen maak ik me klaar om te starten met een nieuw project rond schoonheid (dat begint met het einde van de schoonheid, schoonheid van het einde, schoonheid als een eind, schoonheid zonder eind: enige verwantschap met het denken van de huidige staat van de planeet is geen toeval – tijdens mijn Grand Tour zet ik er nog ‘schoonheid na het einde’ bij), geconstrueerd rond de zorg voor het zelf, de organisatie, het zoeken naar wat verborgen ligt achter de schoonheid, het delen van de commons en schoonheid die zich uiteindelijk uitveegt. Beide projecten lopen door in dit documentatieproject dat langs kunst en ecologie zoekt naar (een) mogelijke toekomst(en) – een nieuw eind om naar toe te werken.
Mijn voorstel komt er snel, impulsief en met nogal wat vraagtekens. De werktitel, Vita Artistica, verandert in Fear of a Blank Planet; de inspiratie van Hannah Arendt in die van Public Enemy. De beredeneerde argumentatie achter de mogelijke toekomsten maakt plaats voor een losgeslagen gevoel, full of anger, ready for change. Als voorbeeld voor de schoonheid van het einde (iets om in te geloven, een doel – een eind – om zich op te richten) verwijs ik – iets te cynisch? – naar het happy end van COP 21, de klimaatconferentie in Parijs, afgesloten met een akkoord waarin iedereen (en dus eigenlijk niemand) zich kan vinden. Ik wil de blank space of travel – de zee, voor het transport van de goederen van onze consumptiemaatschappij, en de lucht, voor de vliegtuigreizen van onze toeristische industrie (what remains is the goal – the end – what disappears is the environment – without end) – opnieuw tastbaar maken door te reizen met de trein en met de fiets. Ik kies voor een boek. Niet echt origineel, maar voor mij wel de meest duurzame vorm: iets tastbaar, dat verder leeft in de toekomst. Nog altijd in de geest van Public Enemy wil ik een boek waarin verschillende stemmen elkaar ontmoeten: van de kunstenaars, van de kunstenaars waarnaar zij kijken, de auteurs die ze lezen en de auteurs die ik zelf vind onderweg.
Gaandeweg passen mijn ambities zich aan bij de realiteit. Zo ontwikkelt deze Grand Tour, net als dit boek, zich als een leerproces met voortdurend andere invalshoeken, met wisselende stijlen en ritmes, die botsen met de stijlen en ritmes in de ontmoetingen die eraan voorafgaan. Het argument van Vita Artistica – de kunstenaar als burger – breidt zich uit naar de burger als kunstenaar: hoe engageer je een publiek om deel te worden van je werk en je ideeën? Hoe creëer je die bewustwording via de kunst? Als antwoord op een lawine aan data, wil ik een boek met gevoel. Een boek dat ernaar streeft gevoelens van schuld om te buigen in plezier, van de vermoeidheid in de berusting naar de energie van de betrokkenheid: een andere wereld is mogelijk.

Een tour (context)
Deze Grand Tour is er een van extremen. Ook dat past volledig in de tijd. Terwijl ik dit schrijf beleven we één van de heetste zomers sinds jaren. Europa brandt van Zweden tot Griekenland, om nog te zwijgen van de bosbranden in Californië en Australië. Temperatuurrecords worden gebroken. De droogte is alarmerend voor planten, dieren en mensen. In Zaventem, de nationale luchthaven op een tiental kilometer van waar ik schrijf, telt men in juli het hoogste aantal reizigers op één dag, ooit. Klimaatwetenschappers waarschuwen dat, als we er niet in slagen de uitstoot van CO2 snel te verminderen, de warme zomers van vandaag in de toekomst als relatief koel zullen aanvoelen. De kans op hittegolven zal volgens diezelfde wetenschappers in de toekomst verdubbelen. En als een fait divers in deze komkommertijd verschijnt het bericht dat Earth Overshoot Day, de dag waarop de aarde de beschikbare grondstoffen voor een heel jaar heeft opgebruikt, dit jaar valt op 1 augustus: één dag vroeger dan in 2017 en enkele maanden eerder dan in 1986, toen we het allemaal samen nog konden uitzingen tot 31 december.
Maar er is ook positief nieuws. De zonne-energie verbetert records bij de vleet. In België dekt het in juli 8% van het totale verbruik (kernenergie is nog altijd goed voor 35%). Ik lees het allemaal op mijn altijd al verouderde iPhone, net zoals het bericht dat de waarde van het bedrijf Apple de grens van duizend miljard dollar overschrijdt terwijl Huawei voor het eerst meer telefoons gaat verkopen dan Apple en Samsung. Is dat relevant voor een boek over kunst & ecologie? Ik denk het wel. Wat zouden wij – kunstenaars en culturele werkers – zijn zonder onze smartphones en laptops? Ook al weten we dat de zeldzame metalen in onze hardware niet onuitputtelijk zijn en bovendien zorgen voor een ecologische ravage in Congo en China en dat de servers die de cloud, onze sociale netwerken, emails en websites verwerken ondertussen het energieverbruik van het verzamelde vliegverkeer op aarde evenaren?
Nooit waren de oorzaken en gevolgen van de klimaatopwarming zo duidelijk. En toch gaat alles verder alsof er niets aan de hand is. Er treedt een gevaarlijke gewenning op waarbij het uitzonderlijke normaal wordt en tijdelijke hinder van hitte of wateroverlast een permanent gegeven. Je wint geen verkiezing met de opwarming van de planeet. En als we niet meer kunnen rekenen op onze politici in onze regeringen, dan moeten we elders oplossingen zoeken. We kunnen niet enkel nog denken en handelen voor onszelf, we moeten daar ook onze omgeving, de bergen en de rivieren, de planten en de dieren, de vorige en de volgende generaties in betrekken. Daarvoor hebben we kunstenaars nodig. Thierry Boutonnier overlegt met de dieren, de planten en de machines op de boerderij van zijn ouders. Hij laat zich daarbij, net als Lotte Van den Berg in haar Parlement van de Dingen, inspireren door de Dingpolitik van de Franse filosoof Bruno Latour. Zij breiden hun werkterrein uit naar de omgeving, net als Michael Pinsky in Londen. Ondertussen gaan Clare Patey, Armin Chodzinski en Sibylle Peters, Janis Balodis of Benjamin Verdonck nog verder door te werken voor en met kinderen. Ook Beton Ltd. in Ljubljana richt zich voor haar nieuwe productie tot de volgende generatie, terwijl Tamara Bilankov in Zagreb haar blik tegelijkertijd verlegt naar de vorige generatie. Het is deel van mijn opdracht, die er niet toevallig komt vijftig jaar na mei ’68: om vooruit te kijken en achteruit, om uit te zoeken wat vandaag rest van het engagement van toen. Het is het onderwerp van de recentste voorstelling van Vera Mantero. Dat is ook zo mooi aan de groep van kunstenaars die de partners voor me selecteerden: ze zijn aankomend (Janis, Tamara, Thierry), mid career (Benjamin, Beton Ltd., Lotte) en gevestigd (Michael, Clare, Armin en Sibylle, Vera).

In mijn ontmoetingen met de kunstenaars kom ik altijd meer uit bij de burger, bij het burgerschap. En langs daar ook bij het gegeven van de schaal: wat kunnen wij, als kleine individuele burgers, doen tegen (of met?) de opwarming van de aarde? Dan wordt een globaal probleem meer en meer een lokale kwestie. Je omgeving start hier (ken je die activisten die de plasticsoep in de zeeën willen stoppen door bij de rioolputjes in de straten te zetten: de zee start hier?). Voor ik vertrok op deze Grand Tour, had ik een gesprek in Brussel met Sue Spaid, de Amerikaanse curator en filosofe van Ecovention Europe. Zij zegt daarin het volgende:

"To my lights, climate change is first a local issue. Yes, we as a planet are monitoring “global temperature increases,” but we are doing so country by country, with each having committed to do its part to prevent further warming. Individual communities actually have way more agency and move a lot quicker than corporations or governments. Ordinary citizens can (and routinely do): plant as many trees as possible to make rainfall renewable and stormwater capturable, fix damaged groundwater catchment systems to ensure rainwater’s capacity to refill aquifers, farm using carbon-absorbing regenerative soils, reconstruct wetlands, implement systems that neutralise the effects of greenhouse gases, and discourage new housing developments. The knowledge is everywhere…there just needs to be more local initiatives on a grander scale."

En dus zien we hoe steden zich anders organiseren. We zien welke invloed de burgers daarop hebben. En we zien hoe kunstenaars zich daarbij aansluiten, als ze er al geen sturende rol in spelen. Daar ligt de kracht van het verbond tussen kunst en ecologie, tussen kunst en de opwarming van de aarde: in het anders kijken en anders denken. Dat begint hier, waar je ook bent.
Een andere manier van leven begint bij een andere manier van kijken. Wat we nodig hebben is een andere perceptie. In plaats van voortdurend te willen hervormen en komaf te maken met de werkelijkheid (een klassiek voorbeeld: de manier waarop de politiek nu inzet op elektrische wagens en zo het probleem verplaatst – de vervuiling is voor China waar die wagens geproduceerd zullen worden – en voor zich uit schuift: onze steden slibben dicht met infrastructuur voor individueel vervoer, terwijl er dringend nood is aan beter en niet geprivatiseerd openbaar vervoer; om nog te zwijgen over de manier waarop die politici de oplossing voor een maatschappelijk probleem uitbesteden aan private kapitalisten) moeten we net omgekeerd te werk gaan en de werkelijkheid in de ogen kijken (zoals in Latour’s Facing Gaia) en langs daar nadenken over manieren om met die nieuwe werkelijkheid om te gaan zonder ze te willen hervormen: de werkelijkheid is leefbaar als wij ons eraan aanpassen, niet maakbaar door haar aan te passen aan ons.
De werkelijkheid in de ogen kijken betekent ook het erkennen van de eigen bubbel: klasse, vorming, cultuur, natie,… Het betekent oog hebben voor de andere bubbels. Er rekening mee houden. Ze openen. Ecologie stopt niet aan de rand van je bubbel: je theater, je school, je krant, je sociaal netwerk, je wijk, je stad, je land. Grenzen, die steeds meer muren worden, zijn ecologisch het ergste wat ons kan overkomen. Want al die bubbels samen zijn deel van een grotere bubbel: dat onmeetbare en onvatbare ding dat we een ecosysteem noemen en dat we enkel gefragmenteerd kunnen kennen, vatten, bekijken – in stukjes en beetjes.

Zo werkt deze Grand Tour: als een pharmacon, als een gif dat tegelijk ook een medicijn wil zijn. In een tijd van extremen wordt dit ook een tour van extremen. Op goed vier maanden tijd bezoek ik negen steden en een eiland. Ik was 140 uren (dat is zoveel als 17,5 werkdagen van 8 uren of 3,5 werkweek) onderweg met de trein en de fiets en ook één vliegtuig en een boot. Om dat alles mogelijk te maken besteedde Ilse op het Imagine 2020 hoofdkwartier nog eens 50 uren (iets meer dan zes werkdagen) voor het plannen van de reizen en het boeken van tickets en hotels. Op vier maanden tijd legde ik zo vijftienduizend kilometers af – ik weet niet hoe het bij u zit, maar in mijn geval is dat meer dan ik anders over een heel decennium reis. Zo werd dit documentatieproject, deze Grand Tour, een extreme city trip: een verzameling city trips, een test voor een alternatieve manier van reizen die enkel mogelijk is in de gesubsidieerde bubbel van de culturele sector. Katarina van Beton Ltd. zei het nog in Ljubljana: in de culturele sector gaan we niet op reis in de zomer, wij gaan niet met vakantie, wij reizen voor het werk en werken in de zomer. We doen het omdat het kan en omdat het moet: deze opdracht is niet mijn idee, het is niet mijn verlangen, het is mijn werk. Dan denk ik meer en meer: ecologie is een luxe. Omdat het kan en omdat het moet? Maar wel afhankelijk van waar je bent, wie je bent, hoe je bent.
(In een gesprek met Tim Etchells – je kan de video makkelijk vinden online –heeft Vera Mantero het over de manier waarop de komst van de trein het leven in de steden veranderde. Het vergroot de natural maximum distance. Het maakt dat voedsel niet meer dichtbij de stad geproduceerd moet worden. Het maakt de stad los van haar omgeving. Het bezorgt de stad een nieuw gezicht, een nieuw gevoel, een andere ervaring. Ik moet er opnieuw aan denken als ik zie hoe Lissabon, Vera’s stad, overspoeld wordt door toeristen. In de botanische tuin hoor ik ongeveer evenveel talen als er plantenvariëteiten zijn. En ondertussen scheert er om de vijf minuten een vliegtuig over onze hoofden met alweer een nieuwe lading toeristen. Zo verandert het vliegtuig het gezicht, het gevoel, de ervaring van deze stad. Zo vergaat het ook – in meer of mindere mate – de andere steden waar deze Grand Tour me brengt.)
Niet enkel het reizen en de ontmoetingen werken als een pharmacon. Dit boek is er net zo goed één. Dit is een boek van extremen. Het volledige project voltrekt zich in minder dan één jaar tijd: het reizen start op 20 februari. De boekpresentatie is gepland op 15 december (eerst was het oktober, dan november, dan begin december, nu wordt het half december – omdat het moet en omdat het kan). Geen normale uitgever die zich daaraan waagt. Dus doen we het allemaal zelf, omdat het kan en omdat het moet. Omdat we na het alternatief reizen ook de grenzen van het alternatief publiceren willen aftasten. Hoever kunnen we gaan? Welk papier gebruiken we? Welke drukkerij? Met welke machines? Welke inkt? Op welke manier? Hoe gaan we het boek verdelen? Wat wordt de oplage? Wordt dit een boek om te kopen? Om te geven? Of een boek om door te geven?

Een moment (text)
Zo ontwikkelt dit boek zich als een momentopname, als een teken van de tijd, van haar kunst en haar ecologie. Het volgt de chronologie van de reis, met de ontmoetingen in de volgorde waarin ze zich afspelen. U zal snel merken dat ik deze reis niet echt als een tour maak, maar wel als een hinkelspel, waarbij ik altijd weer terugkeer naar de basis. Zo leest u dit boek misschien ook: als een hinkelspel, heen en weer springend tussen de verschillende stukken over de verschillende kunstenaars. U kan het natuurlijk ook van voor naar achter lezen, maar dat is niet noodzakelijk. Als u het toch doet, merkt u misschien hoe ik meegroei met deze opdracht. Zoals vele andere burgers heb ik een zeker ecologisch bewustzijn. Meer dan een half leven geleden besliste ik om te stoppen met het eten van vlees omdat het zoveel meer energie en grondstoffen vraagt dan een plantaardig dieet. De fiets, daar ben ik mee opgegroeid als kind en dat ben ik blijven doen toen ik als jongvolwassene verhuisde naar de stad. (Ziet u ook soms zo’n bordje aan een fietszadel? Weer een auto minder? Dat gaat er bij mij dus echt niet in. Al wat ik zie is een fiets meer. Waarom altijd de auto als referentie nemen als het gaat om verplaatsingen? Hetzelfde probleem heb ik met een digitale routeplanner. Hoe alles in het teken staat van de auto en de fiets te veel vergeten wordt. En opnieuw als we de reizen plannen voor de Grand Tour: probeer maar eens een treinreis te regelen naar Riga of treintickets te boeken voor Lissabon. Met Easyjet was je er al lang geweest, voor een fractie van de prijs. Dat is de referentie en daar moeten we vanaf.) Verplaatsingen die te ver zijn voor de fiets combineer ik de laatste vijftien jaar met de plooifiets op de trein. Ik heb geen kinderen maar zorg wel met plezier voor mijn verwanten: familie, vrienden, buren, hun planten en dieren. Maar veel verder dan dat en de occasionele stem voor een politica met een ecologisch bewustzijn, bij voorkeur gekoppeld aan een sociaal engagement, gaat het niet.
(Voor ik het vergeet: ik composteer ook. Tijdens mijn Grand Tour besef ik op verschillende momenten – in Lyon, in Rotterdam, in Riga en in Lissabon – hoe belangrijk de wormen in mijn zelfgemaakte compostbak op mijn balkon zijn: het zijn mijn enige huisdieren en eigenlijk ook altijd meer mijn lievelingsdieren. Ze vormen de oplossing voor zoveel problemen. Ik wil later, als ik dood ben, ook gecomposteerd worden, zoals in dat boekje dat ik onderweg vond: Playdoyer pour l’humusation. In een tentoonstelling van Laure Prouvost zag ik het volgende bordje: . Dat brengt me op ideeën. Zal ik er een slogan van maken die me past? Global worming, not warming!)
Dit boek – ik zei het al – is deel van een leerproces. Ik leer niet alleen mijn ontmoetingen te organiseren. De eerste zijn nog relatief kort, maar al snel worden ze langer en maken de interviews uit de oorspronkelijke opdracht plaats voor ontmoetingen waarin ik de kunstenaars volg, niet enkel in hun werk, maar ook in hun omgeving. Dat vraagt niet alleen een zekere dosis improvisatie, maar ook veel geduld van de betrokkenen om met elkaar op te trekken en de dingen te laten komen zoals ze komen. Met de kunstenaars stel ik ook mezelf en mijn positie in deze tour regelmatig in vraag. Net zoals er regelmatig vragen komen bij het nut van een internationaal netwerk als Imagine 2020. Voor de een verliest het aan betekenis hoe dichter we bij het magische jaar uit haar naam komen, voor de ander wint het net aan urgentie.
Elk van deze kunstenaars ontmoet ik tijdens deze Grand Tour voor de eerste (maar niet voor de laatste) keer. Door te groeien in die ontmoetingen ontstaat er tijdens het reizen altijd meer gelegenheid om te ontdekken wat gebeurt rond het werk. Langs het professionele leven veroorloof ik me meer en meer een ingang in het privéleven van de kunstenaars. Het begint bij de zorg voor de ander, de zorg voor de omgeving en eindigt bij de zorg voor het zelf. Niet toevallig zijn mijn eerste ontmoetingen er met curatoren: Sue Spaid in Brussel, die ik zelf opzoek voor ik vertrek om me te introduceren in de materie en Michael Pinsky en Clare Patey in Londen. Met hen zoek ik naar de oorsprong van het woord curator: to care. En waarin bestaat die zorg in het werk van de curator? In de woorden van Sue Spaid: “provoking thoughts by guiding audiences to make particular connections”. Langs daar evolueren de thema’s naar de organisatie van het werk en de rol die de kunstenaar als auteur daarin speelt (Thierry, Armin & Sibylle, Lotte, Janis) en gaat het verder naar de rol van de economie, de druk van de tijd, het belang van falen en experiment, van educatie, twijfel en onzekerheid, of van afval en het nemen van de maat.
Tussen al die thema’s zit nog een ander gegeven dat dikwijls en ongevraagd terugkeert: dat van de taal. Toeval wil dat mijn eerste gesprekken – met een Amerikaanse in Brussel en twee Britten in Londen – als vanzelfsprekend verlopen in het Engels. Even vanzelfsprekend aanvaard ik de voorwaarde van Imagine 2020 om deze documentatieopdracht uit te voeren in het Engels. Maar al snel voelt dat helemaal niet zo vanzelfsprekend aan: hoe vreemd het is om enkel en alleen die taal te gebruiken. Ikzelf ben Nederlandstalig, en woon al heel mijn leven in België, een land met drie officiële talen: Nederlands, Frans en Duits. De laatste jaren komt daar met de globalisering en de groei van de Europese instellingen in Brussel, de stad waar ik woon, steeds meer het Engels bij als officieuze vierde taal. Dat verklaart mee waarom ik die voorwaarde voor deze opdracht er als vanzelfsprekend bijneem. Maar de praktijk wijst uit dat het dat helemaal niet is. Bij bezoeken aan kunstenaars van wie ik de taal min of meer beheers (Benjamin in België, Lotte in Nederland, Thierry in Frankrijk en Armin en Sibylle in Duitsland) is het artificieel om een andere taal te gebruiken. Bij de kunstenaars waarvan ik de taal niet beheers (Janis in Letland, Beton Ltd. in Slovenië, Tamara in Kroatië of Vera in Portugal) wordt het opnieuw een noodzaak. Maar het blijft wringen. Het blijft ingaan tegen mijn ecologisch gevoel. Het is een kwestie van taalecologie die inzet is van een manier van communiceren en langs daar ook van denken en van kijken. Eileen Myles schrijft erover in The Importance of Being Iceland:

“There’s an imprecise mourning needed to see where we are now. I think it’s like the species rediscovering itself. Learning to be stubborn in our awkward speaking and hearing. All over the world regional accents are vanishing because of the homogenizing power of announcers’ voices normalizing everything, until everything started to go away. The landscape and the voices. There’s an ecology of sound. Of speech. We have to think about what English does. Riding roughshod over national poetries that since the room is small and no one’s in there why not step out to the bright light of day and write in English, think like us. Speaking the language of the global crash. People are standing outside in Reykjavik, demonstrating, demanding the Prime Minister to step down. I can’t read the signs but I get it.”

Zo voel ik me te dikwijls in mijn ontmoetingen met de kunstenaars op deze Grand Tour: beperkt en gedwongen tot het gebruik van the language of the global crash. Ook dat maakt ecologie opnieuw lokaal, iets om elke keer weer te vertalen naar de omgeving, de situatie, de taal van degene die waarneemt. We’re in this together, zegt Rosi Braidotti in Transpositions, maar wel elk met onze eigen taal, noden en gebruiken. Dat aanvaarden is een eerste stap in de strijd tegen de opwarming van de planeet.
Ecologie start bij je zelf. Vandaar het belang aan een goede dosis zelfkritiek van tijd tot tijd. Hier is nog een stukje uit mijn gesprek met Sue Spaid:

“What I’ve realized, just recently, is that 90% of what passes for criticism or new thinking is really self-reflection. Whenever you did something you reflected upon it and you were like how can we make it better. And then something got lost. People stopped doing self-reflection but started criticizing other people. A good example is all the people that are now claiming that humans aren’t the centre of the universe: the anthropocene critique. But the idea of humans not being the centre of the universe is the Copernican revolution of the 17th century. Somehow, this Copernican revolution lost it’s impact enough to the point that people stopped thinking that humans weren’t the centre of the universe. But then you’re like that’s already been said, it’s been three hundred years. I don’t really understand how universities can be focused on this problem. The problem is that people stopped being self-reflective.”

Met Sue’s opmerkingen over self-criticism (en de universiteit) spring ik met een boogje opnieuw van vandaag naar mei’68 en de auto-critique die filmmakers als Jean-Luc Godard en Jean-Pierre Gorin toen als vast onderdeel inbouwden in de films uit hun periode van de Groupe Dziga Vertov. In Histoire(s) du cinéma stelt Jean-Luc Godard zich de volgende vragen:

Qu'est-ce que le cinéma ?
Rien.
Que veut-il ?
Tout.
Que peut-il ?
Quelque chose.

Op haar manier stelt dit boek dezelfde vragen aan de kunst.