pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Teveel of te weinig?
Pleidooi voor meer kunst en reflectie

voor <H>art, 2010

 

 

Een kwartiertje voor de laatste redactievergadering bij <H>art. Rond de tafel enkele vroege redacteurs die wachten op de collega’s. Op de tafel enkele recente nummers van verwante publicaties over kunst. Om de tijd te doden worden de tijdschriften het onderwerp van gesprek. Wie leest dat allemaal? Wie organiseert dat allemaal? En uiteindelijk: wie schrijft dat allemaal? Ik zwijg en luister. Als auteur van één van de teksten in die tijdschriften vind ik helemaal niet dat er teveel publicaties zijn. Dat de tafel hier straks te klein is om alle medewerkers van dit tijdschrift rond te verenigen, wijst op het tegendeel. Ik vind ook niet dat er te weinig lezers zijn. Ook ik lees niet alles van voor naar achter, maar telkens er een goed stuk verschijnt, ben ik blij dat het bestaat. Daardoor kan ik alleen maar respect opbrengen voor wie dat allemaal organiseert; voor de mensen achter dit en alle andere bladen op de tafel.

Het gevoel van teveel tijdens het wachten slaat tijdens de vergadering om in een gevoel van te weinig. Te weinig plaats voor de vele medewerkers om al die tentoonstellingen op een deftige manier te bespreken. Kunnen we niets doen door te knippen in de bijdragen over Nederland? Nee, want dan missen we teveel goede tentoonstellingen met nog meer zorg voor presentatie en omkadering. De internationale (en anderstalige) pagina’s dan? Nee, want ook voor die pagina’s blijkt niet enkel het aanbod veel groter dan de ruimte, maar ook dat deze bladzijden gretig gelezen en geapprecieerd worden. Bovendien vraagt de vormgeefster meer plaats om foto’s en teksten te laten ademen. Dat moet zorgen voor een aantrekkelijker lay-out, nog meer verkoop en uiteindelijk meer lezers.

Het gevoel van tekort (tekort aan pagina’s voor alle teksten en foto’s voor een steeds groeiend publiek) slaat tegen het einde van de vergadering toch weer om in een gevoel van teveel. Dat gebeurt op het moment waarop diezelfde vormgeefster binnenwandelt met enkele grote dozen, met daarin de grote boeken die ze ontwierp voor het Gentse Time Festival. Een festival in boekvorm. Een boek als een tentoonstelling. Een tentoonstelling als een manifest. En opnieuw die onvermijdelijke vraag: wie gaat dat allemaal lezen? En vooral: wie gaat dat allemaal dragen?

Ondraaglijke lichtheid

“Le plus lourd dans le cinéma, c’est de porter les boîtes”, zei Jean-Luc Godard in ‘Soigne ta droite’, zijn film uit 1987. Godard laat prompt al zijn filmdozen vallen – filmdozen die overigens als de lichtheid zelve door de lucht vliegen en vooral veel blinken en licht weerkaatsen. Ik moet eraan denken als ik onze vormgeefster zie met al die boeken. Ik moest er ook aan denken toen ik een toren van die boeken zag omvallen in de Gentse Bank van de Arbeid. Ze waren zo zorgvuldig opgestapeld door die elegante dames die de boeken één per één (daar zijn ze zwaar en groot genoeg voor) binnenbrachten voor de plechtige voorstelling. Tegen het einde van de avond waren alle boeken verdwenen. Ik zag mensen met twee, drie, vier boeken onder de arm de deur uitwandelen. Tot spijt van degenen die tegen het eind van de avond zonder exemplaar naar huis terugkeerden. Opnieuw werd het gevoel van overdaad tegengesproken: er was geen teveel aan boeken, maar wel een manifest tekort.

‘Time is a book’ zit gedrenkt in het woord overdaad. De keuze voor het boek komt van curatoren Els Dietvorst en Dirk Braeckman en is een statement tegen de overdaad aan festivals. Met dit boek willen de kunstenaars opnieuw tijd en ruimte creëren voor reflectie. Tijd – noblesse oblige – en ruimte lopen als een rode draad doorheen het boek. De tijd en/als ruimte keren terug in vragen over het milieu als sociaal en ecologisch gegeven, over de maatschappij, over duurzaamheid en over geschiedenis en/als herhaling. Dezelfde vragen (en antwoorden) keren terug in excursies naar de jaren zestig – in een tekst van Howard Zinn bijvoorbeeld over anarchisme, elitarisme en het functioneren van een democratisch systeem – of naar de jaren negentig – in een debat bijvoorbeeld over theater in een belegerde Joegoslavische stad.

De reflecties over tijd en/als ruimte komen uiteindelijk samen in het idee van de wandeling. Het boek is opgevat als een situationistische dérive. Het ontstond tijdens een wandeling langs het water en voelt ook zo aan: als een ruimte om te exploreren. Dat dit boek functioneert als een wandeling door een ruimte is natuurlijk een verdienste van de vormgeefster – noblesse oblige – die zorgt voor een aangenaam ruimtelijk gevoel waarbij verschillende bijdragen op een organische manier door en in elkaar overgaan. Maar het is ook het gevolg van een boek dat zich in de plaats zet van een festival en moet beantwoorden aan de normen van dat festival. Zichtbaarheid is dan belangrijk. Vandaar het grote formaat waar men moeilijk naast kan kijken, maar ook de grote namen die de aandacht moeten trekken: figuren als Robert Adams, Marta Rossler, Chantal Akerman of Lawrence Weiner geven dit boek nog meer gewicht dan het fysiek al heeft.

Kookboek

Het toeval wil dat ik bijna gelijktijdig met de presentatie van ‘Time is a book’ op nog een ander festival terechtkom dat opent met de lancering van een boek. Opnieuw een reis in de tijd. Want het boek dat voorgesteld wordt tijdens ‘Verbindingen/Jonctions 12’ (VJ12) is dat van ‘Verbindingen/Jonctions 10’ (VJX) – de editie van twee jaar geleden van hetzelfde festival. Het Brusselse festival bewijst daarmee dat het helemaal niet nodig is om te kiezen voor het een of het ander. Kiezen voor beide is ook een alternatief. Meer nog. Het demonstreert hoe de ruimte van het boek overloopt in die van het festival. Het toont hoe de overdaad aan hetzelfde in de kunstwereld te counteren met de overdaad aan verschillen in de wereld van de media.

‘VJX’ is op enkele pagina’s na ongeveer even dik als ‘Time is a book’. Het verschil zit hem in het formaat: een handige pocketuitgave – geen boek als een wandeling, maar wel een om mee te nemen tijdens het wandelen. Meer een (reis)gids dan een (reis)album. Ook het stijlvolle gebruik van zwart-wit in het Time-boek – dat nota bene gratis is – wordt tegengesproken door het wat trashy kleurgebruik in ‘VJX’ – waar ik met plezier 10 euro voor betaal. De beelden tenslotte maken consequent plaats voor de teksten en raken zelden voorbij het duimnagelformaat van het internet.

Het kan geen toeval zijn dat het internet een grote rol speelt in dit boek en dit festival. Het internet dat zowat symbool staat voor de overdaad. Dat gebruikers voortdurend dwingt keuzes te maken. Dat aantoont hoe een publiek in de eerste plaats wordt aangetrokken door meer van hetzelfde, terwijl de kracht van het internet precies ligt in haar rijkdom aan verschillen. Het internet is symptomatisch voor het teveel én voor het nooit genoeg. Vragen over Web 2.0 – het internet van de Wikipedia, YouTube, MySpace en andere Facebooks, waar de gebruikers zorgen voor inhoud – leiden tot vragen over participatie en over de groeiende kloof tussen professionelen, amateurs en hun publiek. Vragen die bijzonder verwant zijn met die uit ‘Time is a book’, maar op een heel andere manier een antwoord krijgen. Het verschil in die antwoorden zit erin dat ‘VJX’ gaat over verschillende gemeenschappen op en naast het internet, terwijl ‘Time is a book’ kijkt en zoekt naar een maatschappij als geheel. Engagement bij ‘VJX’ betekent jezelf zijn in elk van die gemeenschappen (en meestal in verschillende tegelijkertijd). Het betekent in de eerste plaats rekening houden met de eigen noden en verdiensten en daar dan een gemeenschap rond creëren. Er zijn nooit gemeenschappen genoeg.

Op het eerste zicht oogt ‘VJX’ veel minder organisch dan het Time-boek. De dingen lopen wel door elkaar in de echte wereld (zoals ‘VJX’ en ‘VJ12’), maar niet in het boek. Daar staat alles mooi naast elkaar. Als een kookboek. Dat leest ook niemand van A tot Z. En ook daar leidt elk recept nooit tot hetzelfde resultaat. Selecteren in een kookboek, is de normaalste zaak van de wereld. Net als op het internet. Net als in de echte wereld. Dat – en natuurlijk ook de alomtegenwoordigheid van kookboeken in winkels, beurzen en top10-lijstjes – bewijst dat mensen perfect in staat zijn te leven met de overdaad. Het komt er op aan te selecteren en enkel te gebruiken wat nodig is. Wat irrelevant is voor de een, is dat niet voor een ander. Er is nooit teveel.

Coda

Ik schrijf dit stuk tijdens de laatste dagen van ‘Fröhliche Werkstatt’, de tentoonstelling met werk van Gorik Lindemans in mijn werkkamer. Een tentoonstelling met veel te veel werk voor een veel te kleine ruimte – amper de helft werd uitgepakt; de rest was beschikbaar in mappen of stond gestapeld tegen de muur. Aan de toeschouwer om te beslissen wat wel en niet zichtbaar werd. De meer dan honderd bezoekers demonstreerden dat er geen teveel is aan tentoonstellingen. Er is geen teveel aan ruimtes voor beeldende kunst. En er is zeker geen teveel aan culturele tijdschriften. Dat ondervonden de kunstenaar en ikzelf als gelegenheidsgalerist, zeer tevreden met elk stuk dat verscheen over de tentoonstelling – in <H>art en elders. En wat in geen enkel tijdschrift verscheen – een lekker lang interview met de kunstenaar in twee versies: een vlotte en een eerlijke – publiceerden we zelf. Op het internet. Dat onweerstaanbare symbool voor de overdadige tijden waarin we leven.

 

 

Time is a book. Een uitgave van Time Festival vzw, Gent. Isbn 978-90-76979-99-1. www.timefestival.be

VJX. Een uitgave van Constant vzw, Brussel. Het boek kost 10 euro, maar kan ook gedownload worden via www.constantvzw.org/verlag

Het interview met Gorik Lindemans over ‘Fröhliche Werkstatt’ staat online: www.squarevzw.be/werkstatt/interview.htm