pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Na het einde: kan kunst de wereld redden?
Lezen over ecologie en kunst

voor H-art, 2018







De bewering dat de catastrofe van de klimaatopwarming al heeft plaatsgevonden en het einde eigenlijk al achter ons ligt: hoe ga je daarmee om? Vele humane wetenschappers doen een beroep op kunstenaars om dat nieuwe wereldbeeld te denken. Zo komt het dat tussen mijn boeken over kunst een rekje groeit over ecologie. Een greep uit het aanbod.

Ecologie denken is zoals het denken van schoonheid. Het is onvatbaar, ongrijpbaar. Het is persoonlijk, subjectief, en verdwijnt wanneer je het expliciet maakt. Een zonsondergang? Kitsch. Een gerecycleerd blikje? Symbolisch. We hebben meer nodig: een ruimer verhaal. Schoonheid en ecologie, dat is wat tussenin gebeurt, altijd ergens anders. Het gaat voorbij aan het individuele handelen in de marge (kiezen voor de fiets, zonder vlees, tegen plastic,…). Het gaat over communicatie en mee bewegen met de wereld.
Hoe verder ik lees in ‘Being Ecological’, hoe meer filosoof Timothy Morton de hulp inroept van schoonheid. Het is wat de zaken bindt. Het komt vanzelf, zonder eind, zonder doel, zonder interesse. Schoonheid confronteert je, net als ecologie, met iets dat niet jij is. Het summum van schoonheid is wat je zo goed past dat je erin verdwijnt. Geen wonder dat hij vroeg of laat uitkomt bij de kunst. Bij het religieuze gevoel van de Rothko Chapel om de hoek van zijn huis in Houston, Texas, bijvoorbeeld. Of bij een kunstenaar als Olafur Eliasson met wie hij tijdens COP 21, de Parijse klimaatconferentie in 2015, samenwerkt voor de presentatie van ‘Ice Watch’. Tijdens dezelfde klimaatconferentie presenteert de Franse antropoloog Bruno Latour met regisseur Philippe Quesne in het Théatre des Amandiers een alternatieve bijeenkomst waar niet enkel naties, maar ook bossen, rivieren en andere dingen vertegenwoordigd zijn. En ook Latour zal in zijn recent vertaalde boek, ‘Oog in oog met Gaia’, uitkomen bij het onvatbare van de religie: wat overal is, wat bindt.

Wat is het probleem? Ecologie laat ons niet los. Of we het willen of niet, we zijn allemaal ecologische wezens, deel van een systeem dat we – elk op een eigen manier – in stand willen houden. Dat systeem, dat noemen we een omgeving. En daar ontstaat al direct een probleem met de schaal. Die omgeving is zowel zeer tastbaar (mijn huis, mijn straat, mijn winkel, mijn park) als ontastbaar (het klimaat, de zeespiegel, de atmosfeer, de wereld). Elk van die omgevingen, elk van die systemen is voor iedereen anders. En als het voor iedereen anders is, hoe kunnen we dan tot een sluitende oplossing komen?
In ‘Being Ecological’ neemt Timothy Morton eerst en vooral de handige beslissing om niet enkel data, maar ook de waarheid naast zich neer te leggen. Er is geen ecologische waarheid (net zoals er geen waarheid is van de schoonheid). In de plaats heeft hij het liever over “truthiness” – iets waarheidachtig. Of over “truthy”: warig. Of “truthfeel”: een gevoel van waarheid. Hij heeft het niet voor de precisie van data en spreekt liever over “dataness” – iets data-achtig. Zo probeert hij om te gaan met de ongrijpbare wereld, met dat onzekere systeem waarin we leven. Een onzekerheid om jezelf in te verliezen. Een onzekerheid die je onmogelijk kan controleren. Een onzekerheid om los te laten. Ecologisch zijn, voor Morton, bestaat in het waarderen van de ambiguïteit.
Morton provoceert graag. Hij stelt de zaken graag extreem. Maar eigenlijk gaat het er altijd weer om te relativeren: de zaken – mensen, dieren, dingen – in relatie te zetten. Het gaat erom “met de wereld te zijn”. Het handelingsvermogen delen, voegt Bruno Latour daaraan toe. Latour gaat in ‘Oog in oog met Gaia’ verder op het pad dat hij sinds 1992, met ‘Nous n’avons jamais été modernes’, nooit verlaten heeft. We zijn nooit modern geweest omdat we er nooit in slaagden een strikte scheiding te maken tussen natuur en cultuur. De mens is een natuurlijk wezen, net zoals we aan de planten, aan de dieren en de dingen een cultuur kunnen toekennen. Niet het geloof in animisme is vreemd volgens Latour, maar wel het geloof in een wereld van onbezielde materie.
Voor Latour staat niets op zich. Alles is met iets verbonden. Het handelingsvermogen wordt altijd beïnvloed door het handelingsvermogen van iets anders. De aarde is met andere woorden geen op voorhand gecomponeerd geheel, geen systeem in evenwicht, maar voortdurend onderhevig aan de veranderingen in dat systeem. Van die veranderingen dragen we vandaag de gevolgen: van de globalisering, van de kolonisering, van het kapitalisme, van de industrialisering. Zij maken van de opwarming van de planeet een feit. We leven na het einde van de wereld zoals we die kennen en moeten daar het beste van maken.

Is er een uitweg? Wat we nodig hebben is een systeemwijziging. Bruno Latour werkt samen met theatermakers om alternatieve systemen te denken. Of theatermakers doen het zonder hem. Zo laat de Nederlandse theatermaakster Lotte van den Berg zich met beeldend kunstenaar Daan t’Sas inspireren door Latour die op het einde van ‘Nous n’avons jamais été moderne’ een voorstel doet voor een ‘Parlement van de dingen’. Onlangs lanceerde Lotte van den Berg in Den Haag mee het parlement van de Noordzee. En in juni presenteert ze tijdens het Oerol festival op het eiland Terschelling een nieuw project onder de niet mis te verstane titel ‘We have never been Modern’.
Minder filosofisch dan Morton en Latour, meer met de voeten op de grond is TJ Demos. De Amerikaanse kunsthistoricus publiceerde eerder werk over postkolonialisme en globalisering in de kunst. In ‘Decolonizing Nature’ wordt kunst de inzet om de ecologische politiek te herdenken. Op het moment dat de wereldregering faalt, simpelweg omdat er geen is, en activistische praktijken goed gedijen, is kunst een middel om een stem te geven aan wie geen stem heeft. De dreiging van de klimaatopwarming wordt dan de beste motivatie voor de broodnodige systeemwijziging.
‘Decolonizing Nature’ is niet alleen een uitstekende introductie tot het ecologische denken, waarin Demos ondermeer verwijst naar auteurs als Morton of Latour. Het is daarnaast ook een goede introductie op de verschillende manieren waarop kunstenaars en activisten vandaag werken met ecologische thema’s. Zijn ervaring als historicus van de hedendaagse kunst zorgt voor boeiende en soms onverwachte excursies naar de mediakunst waar pioniers als Dan Graham media inzetten voor een geïntensiveerde ervaring van de omgeving. Zijn engagement brengt hem tot bij de Zapatista’s die in Mexico een radicale combinatie van esthetiek, techniek en grassroots organisatie ontwikkelen. Zijn kritische blik zorgt voor relevante reflecties over het duurzame en politieke karakter van megatentoonstellingen met ecologische pretenties zoals dOCUMENTA13, waar hij komaf maakt met de curatoriële positie van het niet-engagement. Tonen is niet voldoende. Je moet als curator ook een positie durven innemen. Dan pas zullen al die praktijken die esthetiek combineren met ethiek, politiek met ecologie, toelaten een glimp op te vangen van de schoonheid van een ander leven.
Meer vragen rond kunst en engagement, rond de sociale functie van de kunst, rond het plezier dat verschijnt in die sociale kunst, keren terug in ‘Ecovention Europe’, het boek bij de gelijknamige tentoonstelling van Sue Spaid. Dit is waarschijnlijk het meest volledige overzicht van wat leeft in kunst en ecologie. Het bijzondere aan dit boek is dat het zestig jaar teruggaat in de tijd, naar 1957, het jaar van de pionierende tentoonstelling ‘Kunst en Natuur’ in het Stedelijk Museum Amsterdam. Er was toen nog amper sprake van ecologie. Na ‘Kunst en Natuur’ was er sprake van ‘land art’ (Smithson) en nog later van sociale kunst (Beuys) om uit te komen bij de golf en diversiteit van ecologische kunst vandaag.

Namen noemen: dat is de volgende stap in het ecologische activisme. De voorzet voor dat activisme komt uit de academische wereld met de Nederlandse Nobelprijswinnaar Paul Crutzen die in 2000 de naam antropoceen voorstelt voor het tijdperk waarin we leven. Tot nu toe was dat nog het holoceen, heel simpel: de recente tijd. Antropoceen wordt de naam voor het tijdperk waarin de invloed van de mens bepalend is voor de staat van de wereld. Het is geen neutrale term. Het gaat over de schuldvraag, en die ligt bij de mens: antropos. De vraag is natuurlijk: wie is die mens? Er zijn meer mensen slachtoffer van de opwarming van de planeet dan oorzaak.
We hebben meer namen nodig om de complexiteit van de nieuwe geopolitieke situatie te duiden. Meer nuance en meer creativiteit. Dat is de stelling van ‘Against the Anthropocene’, het recentste boek van TJ Demos. Zelf lijkt Demos meer gewonnen voor een term als ‘capitalocene’, die de oorzaak voor de klimaatwijziging zoekt bij kapitalisme, globalisering, industrialisering en kolonialisme. Persoonlijk hou ik veel van de term ‘Chthulucene’, voorgesteld door de Amerikaanse filosofe Donna Haraway. In ‘Staying with the Trouble’ laat ze zich vaagweg inspireren door het monster van H.P. Lovecraft, Cthulhu: een draakachtig, octopusvormig maar ook antropomorf wezen. Essentieel voor Haraway is dat haar monster onaf is. Ze schrijft het expliciet anders dan Lovecraft: de naam draagt de monsterachtige veranderingen van het tijdperk in zich. En ook Haraway zoekt haar heil in de kunst. Niet enkel bij verhalenvertellers als Lovecraft maar ook bij andere beoefenaars van wat ze verzamelt in de afkorting SF: string figures, science fact, science fiction, speculative feminism, speculative fabulation, so far.
In het laatste hoofdstuk van ‘Against the Anthropocene’ gaat Demos van het idee van de aarde als moeder in het ‘gynecene’ naar de aarde als geliefde in het ‘Ecosex Manifesto’ van Elizabeth Stephens en Annie Sprinkle. Het zijn slecht enkele van de mogelijke namen voor de tijd waarin we leven. Het is een complex debat, een debat over complexiteit, dat nog volop groeit en moet blijven groeien. Doel is er een van verbeelding: het ondenkbare stap voor stap denkbaar maken. Of van hoop: het onmogelijke stap voor stap mogelijk maken.

T.J. Demos. ‘Decolonizing Nature. Contemporary Art and the Politics of Ecology’. Sternberg Press, 2016, 296 p.
T.J. Demos. ‘Against the Anthropocene.Visual Culture and Environment Today’. Sternberg Press, 2017, 130 p.
Donna Haraway. ‘Staying with the Trouble. Making Kin in the Chthulucene’. Duke University Press, 2016, 296 p.
Bruno Latour. ‘Oog in oog met Gaia. Acht lezingen over het Nieuwe Klimaatregime’. Octavo, 2017, 430 p.
Timothy Morton. ‘Being Ecological’. Penguin, 2018, 230 p.
Sue Spaid. ‘Ecovention Europe. Art to Transform Ecologies’, 1957-2017. De domijnen, 2017, 310 p.
Pieter Van Bogaert ontmoet dit voorjaar tien kunstenaars in negen Europese steden voor gesprekken rond kunst en ecologie. U kan hem volgen op www.grandtour2020.wordpress.com.