pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Esthetiek van het zoete broodje
Nicolas Provost bij Argos

voor <H>art, 2012

 





Het toeval wil dat onze hoofdredacteur me de dag na de opening van Pieter Geenen naar de opening stuurt van Nicolas Provost. Misschien kunnen we er een pagina van maken? Ik zie een moeilijk te overbruggen kloof van verschillen: een kunstenaar die kiest voor de grens, voor de marge, en een andere die kiest voor het centrum, ver van de grens. Gepixelde beelden van de duisternis en glasheldere beelden vol licht. De stilte en de ruimte die de eerste laat invullen door de kijker en de manier waarop de tweede elk moment vult met beeld en geluid. Maar toch zijn er gelijkenissen. Al was het maar dat beiden filmden op het eiland Lampedusa. Geenen lanceert zijn duistere video met de woorden “La più bella isola del mondo”. Provost start zijn film op een zonovergoten strand met een titel als een postkaart: “Benvenuti a Lampedusa”.

Wat is er het meest cynisch? Spreken over schoonheid bij een beeld waarin nog amper iets is te zien? Of uitpakken met een toeristische slogan terwijl er zich een humanitaire ramp afspeelt aan je voeten? Misschien ligt het antwoord ergens in het verschil tussen documentaire en fictie. Achterhaald op een moment waarop steeds meer kunstenaars beweren dat er geen verschil meer is, maar nog steeds relevant in het geval van deze twee kunstenaars die werken met technieken uit de filmgeschiedenis waarin dat onderscheid wel nog telt. Als Geenen kanttekeningen plaatst bij het documentaire karakter van zijn beelden, dan gaat Provost voluit voor het register van Hollywood.
Deze kunstenaars werken met codes. Geenen wijst ze af en zoekt alternatieven. Provost omarmt ze en maakt ze tot onderwerp van zijn werk. Als de spiegel bij Geenen werkt als metafoor voor een onbereikbare plek, een onbereikbaar beeld, dan is het bij Provost een banaal spel. Denk aan ‘Papillon d’amour’ (2003) waarin hij beelden van ‘Rashomon’ in de computer spiegelt op een manier die soms doet denken aan Dziga Vertov’s ‘Man met de camera’ (1929). Maar het revolutionaire potentieel van die film – niet enkel de revolutie van Lenin, maar ook de revolutie voor de esthetische ontwikkeling van de film: daar begint immers het problematiseren van het onderscheid tussen fictie en documentaire – is hier herleid tot een louter fenomenologisch effect.

Voorbij het obscene
What You See Is What You Get: zo gaat dat nog altijd bij Provost. Deze films gaan voorbij het obscene. In één beweging trekt Provost in ‘The Invader’ een lijn die begint bij het geslacht van Hannelore Knuts, en via haar naakte lichaam eindigt bij aanspoelende vluchtelingen op het strand. Er is geen verschil meer tussen het naakte leven van de toeristen op Lampedusa en het naakte leven (in de zin die Agamben eraan gaf in ‘Homo Sacer’) van de vluchtelingen. Ze zien er allebei prachtig uit.
Deze beelden zijn als letters: ze willen iets zeggen, maar ze zeggen niets. Het is zoals de beelden en de woorden in de ‘Plot Point’ trilogie, nu bij Argos. We herkennen ze, we kunnen ze lezen, maar ze vertellen niets. Zo krijg je clichés: beelden die niet meer bewegen en niet meer doen bewegen. Acteurs zijn modellen hier (ook al zijn het toevallige passanten in de straat). De filmmaker is een fotograaf (bij Geenen is het net omgekeerd: een fotograaf die films maakt). Ik kan niet anders dan terugdenken aan die beelden van Lampedusa, aan die beelden van Brussel in ‘The Invader’: het ziet er allemaal even fantastisch uit als de beelden van New York, Las Vegas of Tokyo in deze trilogie.
Argos vroeg Robrecht Vanderbeeken een tekst over Provost. Terecht: dit werk kan wel wat intelligente duiding gebruiken. Maar zijn lezing door de bril van de stadssymfonieën van Vertov of Walter Ruttmann overtuigt niet. Dit heeft niets meer met de stad te maken, maar alles met codes. Het heeft niets met een revolutionair potentieel te maken, maar met de beheersing van een beeldtaal. Wat rest is een betekenisloos maar meeslepend barok maniërisme.
Deze video’s, deze beelden en geluiden, krullen en plooien maar gaan nergens heen. Ze bewegen voortdurend, maar trappelen ter plaatse. Het is het toppunt van de videokunst, de kunst van de eindeloze lus. Deze video’s hebben geen einde meer en geen begin. Ze komen steeds op hetzelfde punt uit waar ze steeds opnieuw beginnen. Geen ontsnappen mogelijk aan deze spiraal waarin de film lijkt op de werkelijkheid en de werkelijkheid op een film. Dit is werk voor kijkers die geconditioneerd zijn door de film. Maar wat dan met al die andere kijkers die naar de werkelijkheid kijken als naar een game, als op tv, als in een hypertekst, of die haar lezen als een boek of – waarom niet? – als een brok natuur?
Er zijn nog zoveel andere mogelijkheden. Ik zie niet op welke manier deze werken verder gaan dan ‘l’art pour l’art’. Meer dan een esthetiek van het zoete broodje is dit hoogstens een politiek van het zoete broodje. Het is de politiek van een filmmaker die perfect weet hoe hij een beeld moet verpakken en verkopen. En als de consument uit deze winkel komt kan die alleen maar zeggen: “hmm, lekker: meer”. En dan is er nog de variant Vegas, of de versie Tokyo en zelfs de smaak Lampedusa. Ze proeven allemaal even zoet.

Nicolas Provost. Plot Point Trilogy. Tot 1 juli bij Argos, Werfstraat 13, Brussel. Wo-zo, 11-18u. www.argosarts.org