pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Toegepaste filosofie
Vertalingen van Deleuze en Rancière bij Octavo

voor H-art, 2015




Je zou de drie nieuwe boeken in vertaling bij Octavo kunnen rangschikken onder het marginale werk van Gilles Deleuze en Jacques Rancière. Maar dat betekent niet – zeker in het geval van Deleuze – onbelangrijk, of – in het geval van Rancière – ongelezen. Deze boeken zijn wel degelijk belangrijk en veel gelezen. Dit is het toegepaste werk waarin de filosofen hun ideeën toetsen aan de schilderkunst, de literatuur en het theater.

Marginale literatuur: zo wordt het hier vertaald. In het origineel heet het: “littérature mineure”. Deleuze gebruikt de term al eerder in de titel van het boek over Kafka, dat hij samen met Félix Guattari publiceert in 1975. Het betekent niet minderwaardig. Het betekent dat het zich verhoudt tot de dominante literatuur op een andere manier. In het geval van Kafka is dat de manier waarop de auteur uit Praag gebruik maakt van de Duitse taal. Of Beckett: een Ier die zich graag bedient van de Franse taal. Of minder voor de hand: Melville, de Amerikaanse auteur van ‘Moby Dick’, die zich bedient van de taal van de Engelsen om ze te ontmantelen en ze “voort te jagen langs een vluchtlijn”, zoals Beckett en Kafka de taal “op de hielen zitten”.
Ongetwijfeld één van de meest geciteerde teksten in ‘Kritisch en Klinisch’, Deleuze’s verzamelde essays over literatuur en het laatste boek waarvan hij – in 1993 – zelf nog de redactie deed, is een tekst over Melville: ‘Bartleby of de formule’. Die formule is natuurlijk “I would prefer not to”, “ik zou liever niet”: het zinnetje dat de kantoorklerk van Melville blijft herhalen. Die logica van de negatieve voorkeur doet Deleuze langs de voortgejaagde taal van Melville besluiten dat Bartleby een man is, niet zonder eigenschappen, maar wel zonder verwijzingen.
‘Kritisch en Klinisch’ opent met een citaat van Proust: “Mooie boeken zijn geschreven in een soort vreemde taal”. Dit boek gaat niet enkel over de taal van de literatuur maar meer nog over het vertalen, over tolken, doorgeven, interpreteren. Schrijven is hier een kwestie van ‘worden’, altijd onvoltooid, altijd in uitvoering. Het is een proces, een gebeuren, maar ook een oordelen: “Is er een betere reden om te schrijven”, vraagt Deleuze, “dan de schaamte mens te zijn?” Het is die schaamte die marginaliseert. Die zorgt voor de afkeer van de dominante taal, voor het ‘worden’ van een ‘andere’ taal.
Zo is de kuur van de literatuur. Het is een vorm van gezondheid en daar zit de klinische functie van de kritiek. Deleuze citeert Le Clezio: “op een dag zullen we misschien ontdekken dat er geen kunst bestond, maar slechts geneeskunde”. De gezondheid als literatuur, als schrijven, bestaat voor Deleuze in het uitvinden van een volk dat er niet is. Zo kom je weer uit bij die marginale talen van Kafka, Beckett of Melville die schrijven voor een volk dat schittert in afwezigheid.

Fictie
‘Kritisch en Klinisch’ toont hoe belangrijk literatuur is voor de filosofie van Deleuze. Artaud’s concept van het “lichaam zonder organen”, doet een boek als ‘Mille Plateaux’, Deleuze en Guattari’s belangrijkste werk uit 1980, bij momenten meer lijken op sciencefiction dan op filosofie. Daarnaast schrijft Deleuze met Guattari niet enkel een boek over Kafka, hij schrijft ook een eigen boek over Sacher-Masoch die hij hier re-presenteert. Hij schrijft een boek over Kant, die hij hier herleest door de bril van Shakespeare, Rimbaud en Kafka.
Ook het boek over Francis Bacon klinkt als een echo op een eerder boek over literatuur: over Lewis Carrol meer bepaald, in ‘Logique du sens’. Bij Bacon wordt dat – in 1981 – ‘Logique de la sensation’: ‘Logica van de gewaarwording’. Ook hier dat “lichaam zonder organen”: het toont zich in de hysterische lichamen in de schilderijen van Bacon. De Sahara, of de “gladde ruimte” uit ‘Mille Plateaux’, keert hier terug in het vlees worden, het dier worden, het onwaarneembaar worden van Bacon: de plaats waar de figuur verdwijnt.
Bacon, voor Deleuze, dat is pure intensiteit. Hij maakt geen schilderijen, maar sculpturen van verf. Hij plaatst de figuur voorbij het figuratieve. Hij schildert een lichaam dat aan zichzelf ontsnapt. Gezicht wordt hoofd: er ontstaat een ononderscheidbaarheid, een onbeslistheid tussen mens en dier. Bacon schildert krachten. Hij schildert, in de voetsporen van Muybridge en Duchamp, beweging. Elke schreeuw in zijn werk staat voor een drama van clichés, voor de hysterie van de schilder in zijn poging zich in het doek te verplaatsen. Sjoerd van Tuinen noemt dat in het nawoord bij deze Nederlandse vertaling de gewaar’wording’ van Bacon: er is niet echt veel meer te zien, maar er gebeurt wel van alles. Zo is de toegepaste filosofie van Deleuze: hier vindt hij het denken zonder beelden – een denken dat zich afkeert van het “dogmatische beeld van het denken” – waarnaar hij in 1969 al zocht in één van zijn belangrijkste werken: ‘Verschil en Herhaling’.

Toeschouwer
Deleuze toont zich in deze teksten als lezer en als kijker. Hij gebruikt teksten en beelden van anderen om er zijn eigen denken aan te toetsen. Daarin sluiten deze teksten aan bij even marginale én historische teksten van tijdgenoten als Foucault of Barthes over auteurtheorie. Ook daarin gaat het over de herwaardering van de lezer. En daarover gaat nog steeds het veel recenter boek van Jacques Rancière: ‘De geëmancipeerde toeschouwer’. Als Deleuze zich verzet tegen de consensus die gewaarwording reduceert tot een dogmatisch beeld, een readymade voor het denken, dan verzet Rancière zich tegen de consensus die een toeschouwer reduceert tot een passief of een te activeren subject: de toeschouwer is altijd actief.
Rancière schreef het gelijknamige eerste hoofdstuk van ‘De geëmancipeerde toeschouwer’ in 2004 op vraag van de Zweedse choreograaf Marten Spangberg. Die vroeg de filosoof van gedachten te wisselen over de toeschouwer, vertrekkend van ideeën uit een ander boek: ‘De onwetende meester’. Net als dat boek uit 1987, waarin Rancière vertrekt van de intellectuele gelijkheid van leerling en meester als basis voor de intellectuele emancipatie, vertrekt ‘De geëmancipeerde toeschouwer’ van de intellectuele gelijkheid tussen de toeschouwer en de performer. Samen maken ze de voorstelling. Geen voorstelling zonder toeschouwer.
“Een geëmancipeerde gemeenschap is een gemeenschap van vertellers en vertalers”, schrijft Rancière. Dat is ook de instelling waarmee je dit boek moet lezen. Rancière leest niet vanzelf. Je moet investeren, meedenken, argumenteren met de auteur. Hij introduceert de ideeën van Plato, Bertold Brecht en het Situationisme van Guy Debord om ze gelijk weer van de tafel te vegen. Het onderscheid dat ze maken tussen acteur en toeschouwer, dikwijls in hun streven het te overstijgen, is onbestaand. Wij zijn allemaal toeschouwers: het is onze normale toestand. We moeten daarom niet proberen om – zoals Plato, Brecht of Debord – toeschouwers in acteurs of – zoals voor de ‘Onwetende meester’ – onwetenden in geleerden te veranderen. “We moeten de kennis die in de onwetende werkt en de eigen activiteit van de toeschouwer erkennen.”
In de vier hoofdstukken die volgen op het titelessay voegt Rancière de daad bij het woord: toegepaste filosofie. Hij geeft als een geëmancipeerde lezer kritiek op de kritiek, meer bepaald op de ideeën van mei ’68 die volgens Franse sociologen zouden doorwerken in het managementdiscours vandaag. Hij zoekt via het werk van Anri Sala en Pedro Costa naar de paradoxen van politieke kunst. Hij vertrekt van een beeld van modefotograaf Oliviero Toscani om uit te weiden over het ondraaglijke beeld: het onspectaculaire beeld, wat we niet kennen en niet kunnen plaatsen.
De vraag die blijft na het lezen van dit boek is hoe het nu zit met de minderheidspositie die de emancipatie moet wegwerken. Misschien kan die minderheidspositie – in de taal van Deleuze: die marginale positie – net zeer vruchtbaar zijn voor de emancipatie? Daarin lijken Rancière en Deleuze diametraal tegenover elkaar te staan.

Gilles Deleuze. ‘Francis Bacon. Logica van de gewaarwording’. 216 p. 19,50 euro. ISBN 978-94-90334-08-6
Gilles Deleuze. ‘Kritisch en klinisch. Essays over literatuur en filosofie’. 240 p. 18,50 euro. ISBN 978-94-90334-09-3
Jacques Rancière. ‘De geëmancipeerde toeschouwer’. 144 p. 15 euro. ISBN 978-94-90334-14-7
Uit bij Octavo, Amsterdam. www.octavopublicaties.nl