pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

Maak plaats voor kritiek
Honderdvijftig maal H-art (suite)

voor H-art, 2015




H-art is honderdvijftig nummers oud. De vraag is dan: waar staat het blad vandaag? We weten waar het vandaan komt. Vele medewerkers schreven (en schrijven) voor de krant, sommige medewerkers verhuisden tien jaar geleden met dezelfde eind/hoofdredacteur van een Vlaamse krant naar dit magazine. H-art is ontstaan uit een groeiend gebrek aan ruimte voor culturele berichtgeving in de Vlaamse media. De start van H-art is een verplaatsing: van een dagblad met een wekelijkse cultuurbijlage naar een magazine dat elke drie weken bericht vanuit de kunstwereld.

Die verschuiving van krant naar magazine (en van het ruime culturele veld naar een uitgesproken focus op hedendaagse kunst) zorgt voor meer ruimte (meer pagina’s) en meer tijd (elke drie weken in plaats van elke dag). Vandaag heeft H-art een eigen plaats in dat culturele landschap. Enkele weken terug las ik het nog in de lifestylegids van een Vlaamse krant: wie op de hoogte wil blijven over hedendaagse kunst in Vlaanderen en omstreken moet H-art lezen (en blijkbaar niet de kwaliteitskrant waar die gids inzat).
Maar de vraag blijft: welke ruimte heeft H-art écht gewonnen met de verplaatsing van krant naar magazine? H-art informeert en brengt het overzicht dat kranten niet meer kunnen (of willen) geven. Om die eigen unieke plaats in het landschap te behouden is H-art afhankelijk van adverteerders, lezers en subsidies. De eerste nemen niet enkel plaats in voor de advertenties, maar volgen ook de goodwill van de redactie. Dat kan gevolgen hebben voor haar kritische bewegingsvrijheid. Lezers bepalen mee de stijl van het blad: toegankelijk en informatief. Subsidies scheppen verwachtingen om breed en diep te gaan. Die engagementen bepalen en beperken de ruimte van het blad. Het zorgt voor een nieuw ritme, een nieuwe tijdsdruk, maar ook een rem op ambities om het blad te verruimen (en die ambities zijn er: om samen te werken met instellingen voor specifieke tentoonstellingen, om meer inhoud aan te bieden via de website). De sterkte van H-art – de verbondenheid met de kunstwereld – is ook haar zwakte: het compliceert haar onafhankelijke en dus kritische positie.
Die verbondenheid speelt ook op een zeer persoonlijk niveau. Ik kreeg laatst twee verschillende reacties van twee verschillende lezers (en uiteindelijk zijn die adverteerders en subsidiegevers dat ook: lezers) op twee verschillende stukken. Het eerste stuk was negatief over een tentoonstelling. De reactie was: “nou, daar ga ik niet naartoe”. Het tweede was een positief stuk. Daar was de reactie: “goed stuk, ik ga zeker kijken”. Je kan verschillende vragen stellen bij die reacties. Zoals: waarom ga je niet kijken naar een negatief beoordeelde tentoonstelling en wel naar een positief beoordeelde? Laat de lezer de criticus oordelen en denken in haar of zijn plaats? Of nog: wat is het criterium voor een goed stuk? Kan enkel een positief oordeel leiden tot een goed stuk? Of kan je een negatieve kritiek ook goed vinden? Wat wil dat eigenlijk zeggen: zin geven om te gaan kijken? Kan je ook zin hebben om naar een negatief beoordeelde tentoonstelling te gaan? Om het oordeel van de criticus te testen? Of volg je liever de autoriteit van de criticus? (Hoe dikwijls ben ik al bedrogen door zo een autoriteit). En voor de criticus: hoe fijn is het om complimenten te krijgen voor een stuk? In welke mate bepaalt dat mee de toon, de inhoud, de kritische dimensie van het stuk?

Andere kritiek
H-art is niet de enige verplaatsing in de kunstkritiek van de afgelopen tien jaar. Er zijn nog andere plaatsen voor duiding en kritiek, nieuwe en oude, die mee evolueren met de tijd. Er zijn tijdschriften, gratis en betalend, digitaal en op papier. Musea, met een eigen persdienst, met dikwijls een eigen tijdschrift en eigen publicaties doen aan duiding en kritiek. Biënnales doen het met tentoonstellingen die passen in een discursief programma met discussies en publicaties. Daar hebben we een verschuiving van een institutionele naar een geïnstitutionaliseerde kritiek. De kritische praktijk van curatoren en kunstenaars is die van de media systematisch een stap voor. Daar bestaat een eigen taal voor: International Art English, een generische kunsttaal met een eigen jargon dat de kritiek nog verder uit de publieke sfeer haalt. De laatste jaren komen daar nog een pak alternatieve en dikwijls zeer persoonlijke online initiatieven bij die zich zeer ver van of dicht op de instellingen bewegen via blogs en sociale media.
Ik vergeet nog een plaats die zich tussen het institutionele en het persoonlijke beweegt: het boek. Wat u leest in de vorige alinea haal ik uit een nieuw boek in de Antennae Series van de Nederlandse uitgeverij Valiz: ‘Spaces for Criticism. Shifts in Contemporary Art Discourses’. De vraag is hier niet “wat”, maar wel “waar” is kritiek? De verschillende bijdragen van zeer verschillende auteurs – van bijzonder academisch tot uitgesproken anti-academisch – zoeken naar nieuwe plaatsen voor kritische interactie.
Het boek kijkt naar de rol van de nieuwe media in dit digitale tijdperk waarin kritiek deel wordt van een dagelijkse praktijk van “liking” en “disliking”. Het zoekt naar de grens tussen kritiek en publiciteit in vermarkte media. Het stelt de nogal optimistische vraag of de crisis van de kritiek niet gewoon een verplaatsing is. Het stelt de nogal academische vraag of het die verplaatsing kan ombuigen in een verruiming (in het Engels klinkt het overtuigender: van “displacement” naar “espacement”). Het zoekt naar een plaats voor kritiek. En in een ideale wereld is dat een onafhankelijke plaats. Bestaat dat buiten nog voor de criticus? Of is de kritiek altijd al deel van de kunst waar het over schrijft?

Andere verlokking
Verplaatsen doen we allemaal. Altijd maar meer, zo lijkt het in een tijd waarin je voor enkele tientallen euro van Noord naar Zuid vliegt en weer terug. Dat groeiend aanbod van verplaatsingen zorgt voor een inflatie aan verhalen. Waar je vroeger – maar daarvoor moeten de auteurs wel terug naar de negentiende eeuw van Stendhal, Goethe en Baudelaire – een beroep deed op de verhalenverteller om te weten wat elders gebeurt, ga je nu gewoon zelf ter plaatse. Je oordeelt zelf, en dat oordeel bestaat uit de bevestiging (of de ontkenning) van wat je al weet.
Want waar ga je heen? Volg je de ‘grand tour’ van musea en biënnales of ga je op zoek naar andere plekken? Kan je enkel nog affirmeren (en het icoon van de hedendaagse affirmatie is natuurlijk de ‘vind ik leuk’-knop op Facebook) of kan je nog in vraag stellen? Er is nood aan tegeninformatie. In de taal van dit boek: aan tegenruimtes, andere ruimtes.
Er is geen nood meer om te rapporteren uit verre landen, tenzij met het doel kunsttoeristen te lokken. In dat geval verdwijnt de kritische noot snel uit de boodschap. Maar wat als we ons nu eens volop laten leiden door de verlokking? Niet de lokroep van wat iedereen mooi vindt (of moet vinden) maar wel de lokroep van wat je zelf boeit? Wat doet dat met het kritische gehalte van je werk?
In de vreemdste, meest polemische en persoonlijke bijdrage in dit boek spreekt transgender activist, muzikant, DJ en auteur Terre Thaemlitz zich uit voor een radicaal andere kritiek, een radicaal andere ruimte: een kritiek die plaats biedt om anders te zijn. Hij verzet zich tegen het impliciete optimisme achter dit boek en tegen de systematische afwijzing van het negatieve in de kritiek. Thaemlitz heeft het over de nood voor een ander oor. Een oor dat begrijpt, bijvoorbeeld, dat al die discoliedjes – om in de DJ-cultuur van Thaemlitz te blijven – gaan over liefde tussen mannen en niet tussen een man en een vrouw, zoals de mainstream DJ liever doet geloven. Thaemlitz stelt zich niet de vraag hoe meer mensen te doen begrijpen. Hij vraagt zich af hoe begrijpen überhaupt mogelijk is. Zijn pleidooi is er een tegen de authenticiteit. Wat rest is spreken voor jezelf. Niet voor, maar met een publiek. Dat is ook wat hij zelf doet voor en na optredens: in debat gaan met het publiek en misverstanden delen.

Ander publiek
Werken met en niet voor een publiek. Het delen van misverstanden. Ligt daar niet de ware uitdaging van de kritiek in de eenentwintigste eeuw? De lezer als gesprekspartner die de traditionele criticus uit de eenzaamheid moet halen: dienen daar niet de nieuwe media voor? De instrumenten zijn er. Het komt er enkel op aan ze te gebruiken.


Thijs Lijster, Suzana Milevska, Pascal Gielen, Ruth Sonderegger (eds.). ‘Spaces for Criticism. Shifts in Contemporary Art Discourses’. Uitgeverij Valiz, Amsterdam. 272 p. 19,90 euro. ISBN 978-90-78088-75-2.