pieter van bogaert
pieter@amarona.be

 

 

Projectie – injectie – incisie. Over Pablo Valbuena’s ‘Extension Series’

Paper voor Almost Cinema(2009)

(read it in English)

 

 



U las misschien ooit één van die verhalen van Borges over volledigheid en exactheid. Hij beschreef hoe hij de exacte kopie tegenkomt van zichzelf (Johan Grimonprez maakte een kopie van het verhaal – ‘August 25, 1983’ – voor zijn boek, ‘Looking for Alfred’). Hij schreef over een bibliotheek die zo volledig is dat ze alle boeken bevat die ooit werden geschreven. En hij schreef over een kaart die zo groot was als het terrein dat het afbeeldt. Het verhaal is zo kort dat ik het net zo goed volledig kan citeren:



Over de onbuigzaamheid in de wetenschap … In dat Rijk bereikte de Kunst der Cartografie zo’n volmaaktheid dat de kaart van één enkele Provincie een hele stad in beslag nam, en de kaart van het Rijk een hele Provincie. Met de tijd voldeden die Bovenmatige Kaarten niet langer en de Colleges van Cartografen maakten een Kaart van het Rijk die de omvang van dat Rijk had en er zorgvuldig mee samenviel. De Volgende Generaties, de Studie van de Cartografie minder Toegedaan, begrepen dat die uitgebreide Kaart Nutteloos was en leverden hem niet zonder Meedogenloosheid over aan de Onbarmhartigheid van de Zon en van de Winters. In de woestijnen van het Westen staan nog uiteengevallen Brokstukken van de Kaart, bewoond door Beesten en door Bedelaars; in het hele Land is geen enkel ander relikwie van de Aardrijkskundige Disciplines te vinden.

Suarez Miranda, Reizen van behoedzame gezellen. Boek IV, cap. XLV, Lerida, 1658
Uit Jorge Luis Borges, De Maker, vertaald door Barber van de Pol, de bezige bij, 1998

 

Borges’ verhaal roept nogal wat vragen op. Vragen als: Kan je wonen in een kaart? Of: Wat bepaalt de grenzen van een kaart? En: Van een plan? En: Van een huis? Of ook: Is het plan de intentie of de extensie van de ruimte?

De vragen die Borges’ verhaal omringen, werken door in de ‘Extension Series’ van Pablo Valbuena. In die reeks projecteert de kunstenaar een tekening, een plan van de ruimte, op de ruimte zelf. Met de precisie van een laser tast die projectie de ruimte af. Dat aftasten van de ruimte verglijdt echter geleidelijk aan in een hertekenen van haar muren, haar vensters, haar plinten, haar vloer en haar planken… Scannen wordt kopiëren; één beeld worden er twee.

De logica van deze projecties volgt de basiselementen van de ruimte: de eerste lijnen vormen de sokkel, de drager, de contouren. Zo ontstaat een vlak om verder in te vullen: het krijgt de diepte van een radiator, een raam,… Er volgt een logistieke invulling: lijnen op de grond volgen de planken van het parket, die op de muur volgen de elektrische leidingen en schakelaars. En de vraag dringt zich steeds meer op. Kan je hierin wonen? Zijn er grenzen aan deze projectie? Aan deze kaart? Aan dit huis?

Een kaart is een weergave van de werkelijkheid, niet de werkelijkheid zelf. Soms is het een projectie van de werkelijkheid, een mogelijke werkelijkheid die er nog niet is. In dat geval spreken we van een plan. Pablo Valbuena combineert het beste uit die twee werelden. Als een cartograaf vertrekt hij van de bestaande ruimte. Als een architect trekt hij de lijnen om die ruimte uit te breiden. Op die manier verenigt hij het actuele en het virtuele in één en dezelfde werkelijkheid. Dat maakt van deze kunstenaar / cartograaf / architect een filosoof. Hij citeert de Franse filosoof Gilles Deleuze: “Le virtuel ne s’oppose pas au réel, mais seulement à l’actuel. Le virtuel possède une pleine réalité, en tant que virtuel... Le virtuel doit même être défini comme une stricte partie de l’objet réel.” (Gilles Deleuze, Différence et répétition, Paris, P.U.F., 1968, p. 269)

Spiegels

‘Extension Series’ projecteert een virtuele ruimte op de actuele. Het virtualiseert het actuele en actualiseert het virtuele. Het resultaat is een geprojecteerde ruimte; een zichtbare ruimte, geënt op de tastbare. Een bestaande ruimte en een gedachte die samen een nieuwe werkelijkheid vormen. Beide zijn volledig geprogrammeerde ruimtes. De eerste door de architect van het gebouw en haar gebruiker; de tweede door de architect van de projectie en de toeschouwer. Het is een projectie die zich herhaalt. Een stapsgewijze herhaling op verschillende niveaus. Stukken van de bestaande architectuur worden, als een extra laag, geprojecteerd op die architectuur. Stukken van die projectie worden, als in een spiegel, geprojecteerd op de muur ernaast. Stukken van die projecties keren terug, als in een dubbele spiegel, op volkomen virtuele muren die een hoek vormen met de actuele. Al die projecties samen herhalen zich, zoals een projectie in een video-installatie, in een eindeloze lus.

Al die herhalingen samen vormen een mise-en-abime. Het is het effect van eindeloze diepte dat men ervaart als men tussen twee frontaal opgestelde spiegels staat. In de cinema verwijst de naam naar wat men een film in de film noemt. In de grafische vormgeving heet het een Droste-effect, waarbij een afbeelding terugkeert in de afbeelding en opnieuw in die afbeelding enzovoort. Het is, om in de sfeer van Deleuze te blijven, een herhaling met een verschil. Altijd hetzelfde – herkenbare gelijkenis – maar altijd anders. Een lus in een serie (de ‘series’ in de titel); een herhaling in situ (en dus een extensie). Het werk dat nu in een ruimte in Gent wordt geprojecteerd, was eerder te zien, op maat van een andere ruimte in Amsterdam. Het werk dat nu binnenskamers wordt getoond, doet sterk denken aan werk dat Valbuena eerder projecteerde op gevels van gebouwen in de stad.

Muren die eerst volledig gesloten leken, blijken nu voorzien van een raam. Massieve volumes krijgen bewegende elementen. Volledig geprogrammeerde en dus gesloten projecties, breken de ruimte open. Deze architect breekt zonder stof. Hij bouwt met licht. Hij brengt gebouwen tot leven. Zijn constructies nemen de plaats over van de mens, in de stad, in het gebouw. Geestenarchitectuur.

Projecties in de stad (denk vuurtorens in de haven, lasers bij de disco) of in de ruimte (denk bioscoop, home cinema) zijn als een baken. Ze zorgen voor houvast, ze sturen de blik, ze tonen wat belangrijk is. Niet zo in deze virtuele architectuur. Door zich in te voegen in de bestaande gebouwen, en zich er niet boven te verheffen, krijgen deze projecties meer iets van een injectie. Injecties van licht die de ruimte doen imploderen (en niet exploderen. Opnieuw: denk aan de geprojecteerde zuilen van Albert Speer voor de massabijeenkomsten van de nazi’s). Valbuena injecteert het licht in de voegen van het parket, in de kabels van de elektriciteit, in de aders van het huis. Zijn licht wordt voeg, kabel, ader: het toont niet, maar verbindt. Verbinden door te openen. Samenvoegen door te snijden. De injectie is eigenlijk een incisie. Één die diep in de materie snijdt. Één die aftast in de diepte.

Plooien

‘Extension Series’ is absoluut hedendaags maar flirt met de barok. Trompe l’oeil effecten doorbreken de fysische beperkingen van het gebouw. Het gebouw dat Valbuena construeert terwijl we ernaar kijken, is er één met niveaus. Zoals in de barokke architectuur deelt het huis zich met de wereld langs de deuren en ramen op de begane grond – het equivalent van wat we hierboven de sokkel, de drager hebben genoemd – om zich vervolgens op de eerste verdieping te sluiten rond het individu, de bewoner. Of te plooien, zoals Deleuze het, naar Leibniz, noemt in zijn boek over de barok. De bovenbouw van de barokke woning is als een monade, die de hele wereld in zich draagt en er zich tegelijkertijd van afsluit (Gilles Deleuze: Le Pli, 1988, p. 7). Een gesloten, individuele en dus ondeelbare, eenheid die toch volledig is aangesloten op de wereld. Zo ent de virtuele architectuur van Valbuena zich op de actuele architectuur van de ruimtes die hem ontvangen.

De plooi is een mogelijke gids voor dit werk. De lijnen waar deze architectuur uit ontstaat plooien zich in elkaar en vormen zo volumes. De hoek is daarbij essentieel. Het is in de hoek dat de spiegeling ontstaat, en het is daar dat de verschillende beelden samenkomen. Maar de hoek is tegelijk het grote enigma van dit werk. Want al die lijnen die samen perfecte rechte hoeken vormen op de muur, komen uit een projector die onvermijdelijk haaks hangt op de vlakken waarop hij projecteert en die samen een driedimensionale hoek vormen. Daardoor ontstaan kleine verschuivingen. Kleine onvolmaaktheden die dit computergestuurde werk opnieuw iets menselijk geven; details die zorgen voor een artisanale injectie in de technologische projectie. Lijnen die men recht ‘leest’ in de architectuur, ‘ziet’ men in de projectie als gekarteld. Schuine lijnen worden gestippeld. Zo wordt dit virtueel continuüm, deze gladde ruimte die zich in en door de harde actualiteit snijdt, een gegroefde realiteit.

(Voor wie goed kijkt, doen deze lijnen sterk denken aan de metalen spillen die men gebruikt voor het wapenen van beton. Ze zijn niet zo gepolijst als het beton zelf. Ze dringen door tot de binnenkant, eerder dan te blijven hangen aan de oppervlakte van het gebouw. Ik herinner me een verblijf in Senegal, waar men de betonijzers gebruikte om er meubels mee te maken. Daar vormen ze de ribben van een heel concrete tafel, een stoel, een kast. Hier vormen ze de ribben van een virtuele muur, van een raam, van een radiator.)

Die gekartelde imperfectie, die technologische hapering sluit dit werk opnieuw aan op de realiteit. Een realiteit waarin het perfect mogelijk is om te bouwen met licht. Niet zoals de zuilen van licht in Speer’s nazi-architectuur. Maar eerder wolken van licht die op een subtiele manier de ruimte vullen. Een lichtvlak op de ene muur gooit een wolk van licht op de andere. Een volume van licht op de vloer, gloeit verder op de muur. Licht vormt niet enkel ruimte, het vult de ruimte. Het volgt de ruimte. Het is de nevel aan virtuele beelden die het actuele altijd en overal omringt (Gilles Deleuze: ‘L’actuel et le virtuel’. In: Deleuze & Parnet: Dialogues, 1996).

Het resultaat is een spel van licht en donker. Van aan en uit. Van aanwezig en afwezig. Van virtueel en actueel. Een binair systeem op maat van het digitale tijdperk. Het tijdperk waarin het licht niets meer wil zeggen zonder de referentie van het donker. ‘Aan’ niets zonder ‘uit’. Het aanwezige altijd verwijst naar het afwezige. Men het virtuele niet los kan zien van het actuele. Ze vormen samen één werkelijkheid; de ruimte, de kaart, het plan waarin we zijn.