Derek Jarman Blue

pieter van bogaert

pieter@amarona.be

Het laatste werk

Over Derek Jarmans Blue

in <H>art, 2020

“Blue of my dreams”

Derek Jarman (1942-1994) droomt dit werk lang voor hij het maakt. Zijn eerste idee is een hommage aan Yves Klein: ridder van Sint-Sebastiaan (martelaar en onderwerp van Jarmans eerste film in 1976), aanbidder van Sint-Rita (patrones van verloren zaken), kunstenaar van de leegte (niet enkel in zijn blauwe en andere monochrome werken, maar ook in zijn Symphonie Monotone: twintig minuten monotoon en twintig minuten stil) en sinds zijn vroege dood in 1962 voor altijd herinnerd door het diepblauw waaraan hij zijn naam gaf: International Klein Blue (IKB).

De eerste nota’s voor Blue (1993) gaan terug tot 1974, twintig jaar voor het eigenlijke werk. Het project komt in een stroomversnelling in 1986, het jaar waarin Jarman HIV-positief test. Carravaggio, zijn vijfde langspeelfilm, ging net in première. De zes films die dan nog volgen zullen nog explicieter dan voorheen gaan over de maker. Tot 1986 vertelt Jarman over zichzelf vanuit de maatschappij: de maatschappij waarvan Margaret Thatcher zegt dat ze niet bestaat, waarin punk hoogtij viert, waarin kunstenaars – lang voor de gentrificatie van de stad – in leegstaande industriële panden langs de Londense Thames wonen en waarin de beruchte clause 28 “het promoten van homoseksualiteit” strafbaar maakt. Na 1986 kijkt Jarman naar de maatschappij vanuit zichzelf: een kunstenaar met aids, op het hoogtepunt van zijn kunst, terwijl zijn lichaam langzaam aftakelt, die het ene project na het andere – films, tentoonstellingen, videoclips – aan elkaar rijgt.

“All the old taboos of

Blood lines and blood banks

Blue blood and bad blood

Our blood and your blood

I sit here – you sit there”

Bloed is het altijd impliciete onderwerp van Blue. Bloed dat leven geeft en neemt. Bloed dat heelt en doodt. Bloed dat verbindt en scheidt. Blauw bloed: dat staat voor de afkomst, voor het huis. Derek of Dungeness was de naam waarmee zijn vrienden, verenigd als de Sisters of Perpetual Indulgence, hem verheffen in de adelstand, verbonden aan zijn nieuwe (t)huis: Prospect Cottage, het vissershuisje aan de kust van Zuid-Engeland, dat Jarman in 1986 koopt. Met zicht op de kerncentrale van Dungeness (Villa Chernobyl is de bijnaam van het huisje) en midden op een uitgestrekt keienstrand lijkt het één van de minst herbergzame plekken ter wereld. Hij draaide er al een apocalyptische scène voor The Last of England (zijn film uit 1988) en het wordt het decor van The Garden (in 1989). Hij maakt er een onwaarschijnlijke tuin met lokale en aangevoerde planten. Fotograaf en tuinier Howard Sooley fotografeert huis en tuin voor Derek Jarman’s Garden, intussen een der best verkochte kunstboeken aller tijden. Eerder dit jaar nog haalde een groep bevriende kunstenaars 3,5 miljoen pond op om Prospect Cottage te redden voor de toekomst.

Dat is de paradoxale lijn doorheen het oeuvre van Jarman dat enerzijds staat in het teken van de verdwijning en anderzijds in de zekerheid van het (t)huis. Thuis, zoals in de vele home movies die hij maakt op Super 8 sinds de jaren 1970 en die hij later integreert in zijn films. Thuis dat zo een grote rol speelt in zijn lievelingsfilm sinds de kindertijd: The Wizzard of Oz (Jarman: “I thought it was real.”). Blue, die imaginaire ruimte die Jarman weet te creëren aan het eind van zijn leven is zo een huis: een ruimte om in te verdwalen. Een huis als een sprookje.

“The monochrome is an alchemy, effective liberation from personality. It articulates silence. It is a fragment of an immense work without limits. The blue of the landscape of liberty.”

Jarman tuiniert als een kunstenaar en maakt kunst als een tuinier. Uitvegen, herbeginnen, afscheid nemen, altijd opnieuw: dat zijn de thema’s en technieken die blijvend terugkeren. Zijn eerste landschapsschilderijen (uit de jaren 1960) tonen details op een kale monochrome achtergrond. Zijn laatste Queer Paintings (in de jaren 1990) ontstaan op dik overschilderde krantenpagina’s. Die terugkerende monochromen creëren een effect van oneindigheid, een gevoel van grenzeloosheid. Zo is ook die tuin rond dat vissershuisje die, zonder hek, opgaat in de kale vlakte eromheen.

Blue is zijn meest radicale monochroom. Het eerste idee was om een origineel werk van Yves Klein te filmen. Uiteindelijk werd het een egaal blauw vlak dat doorheen de negenenzeventig minuten van de projectie niet verandert. Wat verandert is de ruimte van de kijker die zich steeds meer opgenomen weet in dat blauwe vlak. Het geeft het werk een plaats naast abstract expressionisten als Barnett Newman of Mark Rothko, zonder zich noodzakelijk te verliezen in transcendentie of spiritualiteit. De inspiratie van Yves Klein brengt hem dichter bij het sensuele. Jarman maakt het explicieter en komt uit bij het seksuele: de referentie naar de blue movie of de pornofilm. Blue, voor Jarman, is meer dan een personage, een metafoor, een emotie. Het is precies omdat Jarman het zo concreet maakt, zo doorleefd, dat ik me makkelijk verlies in dit beeld.

 “I decided to make Blue without images – they hinder the imagination and beg a narrative and suffocate with arbitrary charm”.

En het werkt. Ik kijk uit naar elke zeldzame gelegenheid om Blue op groot scherm, in de filmzaal, op 35mm, te zien. Zo is die film bedoeld, denk ik dan. Maar zelfs als zelfverklaard cinefiel durfde ik Blue ook wel eens te tonen op dvd aan een groep studenten. En zelfs in de ongezellige, onherbergzame omgeving van een klaslokaal overvalt ons elke keer weer die betoverende werking van dat beeld: voor iedereen hetzelfde, voor iedereen anders. Blue is een omgeving die je inpakt en opneemt terwijl ze ontstaat: een nooit eindigende opname, een uitdijende ruimte van woorden, beelden en geluiden die groeit rond de kijker.

Dit werk verschijnt in verschillende vormen. De première in 1993 vindt plaats in Venetië. Niet op het filmfestival, maar wel op de kunstbiënnale. Ondertussen fantaseert Jarman al over de uitzending op televisie. Hij ziet het al voor zich: al die blauw oplichtende huiskamers in de vroege uurtjes van de nacht, tijdens zijn wandeling doorheen de stad. Met BBC Radio 3, coproducent van Blue, beslist Channel 4, eveneens coproducent, de film en de soundtrack simultaan uit te zenden op televisie en (in stereo) op de radio. Wie zonder tv enkel radio luistert kon een postkaart bestellen bij de BBC om te kijken naar een IKB-blauw vlak tijdens het luisteren naar de film. Nog voor de projectie van de afgewerkte film zie ik Blue als live-concert in Gent, deel van een tournee langs verschillende Europese steden. Ondertussen heb ik Blue thuis als cd (een uitgave van Mute Records, nog een coproducent van het werk) en als boek. Het werk is uit op dvd en bij het schrijven van deze tekst consulteer ik YouTube. Blue is regelmatig – als installatie – deel van tentoonstellingen en meest recent presenteerde Monokino het werk op het strand van Oostende, zonder projector, zonder beeld, met enkel geluid en zicht op de ondergaande zon bij een (daar ga ik toch vanuit) blauwe hemel. Blue als landschapskunst.

Zo wordt Blue een multimediaal werk, ondanks zichzelf. Jarman had het nooit zo expliciet gepland, maar zijn mijmeringen over de blauwe huiskamers bij de uitzending op tv laten vermoeden dat hij er zeker voor open stond. Noem het poésie concrète: de manier waarop Jarman de verschillende teksten en verschillende situaties bij elkaar brengt. Noem het musique concrète: de manier waarop componist Simon Fisher Turner al dat proza, al die persoonlijke ervaringen, al die verschillende stadia van de ziekte aan elkaar rijgt in een soms meer en soms minder monotone symfonie. Noem het een concrete ruimte: een ervaring, een situatie, die even collectief is als individueel. Dieper dan dat kan cinema niet gaan.

 “I’ve written my epitaph about six times now, apparently. Every single film is scotched up as my last. Surely they’ll stop on that business, especially if I get another run.”

Blue is zijn laatste film, zijn zwanenzang en grafschrift, maar meer nog past het in een reeks late films: alle films die hij maakt sinds zijn diagnose in 1986. Van het barokke in zijn eerste, volledig Latijns gesproken, speelfilm Sebastiane (1976) komt Jarman uit bij het gecontroleerd minimalisme van Blue. Jarman is klaar met de esthetiek. Hij veegt ze uit. Hij verbeeldt door niet te visualiseren. Zo evoceert hij wat niet gezien, gezegd of gefilmd kan worden.

Jarman maakt Blue terwijl hij blind wordt. Die blindheid, een retinale infectie veroorzaakt door het cytomegalovirus, is slechts één van de vele mogelijke complicaties van aids. En zo werkt Blue. Meer dan een (altijd reducerend) beeld te geven van aids, wil Jarman het gevoel delen van zijn ziekte. Dit gaat over de verbeelding van aids: een altijd anders conglomeraat van symptomen.

Het is eigen aan het late werk van vele grote kunstenaars. Vele figuratieve schilders beperken zich naar het einde van hun leven tot de essentie, tot hun tableaus bijna abstract worden. Ik merkte het laatst nog tijdens de El Greco tentoonstelling in het Grand Palais. Of kijk naar Monet. De laatste reis die Jarman maakt voor zijn dood is naar de tuin van Monet in Giverny. Monet blijft de tuin schilderen, ook als hij blind wordt en hij de bloemen en planten langzaam maar zeker ziet verdwijnen. Hij schildert geen bladeren meer, maar de groene vlek die hij waarneemt, zonder te weten of het een blad is of aan welke boom ze hangt. Hij ontkoppelt de informatie van de kleur van die van de vorm en de ruimte. Hij maakt een grote, bijna monochrome ruimte waarin water en lucht in elkaar vloeien.

“The shoes I’m wearing at the moment should be sufficient to walk me out of life.”

Dit is het laatste werk. Het ultieme werk. Over blindheid, liefde, leven, vriendschap, dood, ziekte, onzekerheid, oorlog, vraagtekens, bloed, de aarde en – onvermijdelijk – verdwijnen. Het is iets dat Jarman sterk bezighoudt na zijn HIV-diagnose: hoe te verdwijnen. Zijn eerste ideeën zijn: verbranden, verstrooien, gedaan. Het is pas helemaal op het einde dat zijn goede vriend en toeverlaat Keith Collins hem weet te overtuigen tot een graf op het oude kerkhof van Old Romney, enkele kilometers van Prospect Cottage. Maar meer dan door dat graf, of door dat huisje enkele kilometers daar vandaan, zal Jarman herinnerd worden door Blue: een monument dat zichzelf blijvend uitveegt en heruitvindt. Onverslijtbaar.

De citaten in de tekst komen uit:

  • Derek Jarman. Blue. London: Mute Records, 1993
  • Tony Peak. Derek Jarman. A biography. London: Little Brown, 1999
  • John Paul Ricco. The logic of the lure. University of Chicago Press, 2002
  • Michael Charlesworth. Derek Jarman. London: Reaktion Books, 2011